20 januari 2020

2020-01-20: Het geheime voorstel van een Arabische prins om de Westelijke Muur aan de Joden te verkopen - An Arab prince’s secret proposal to sell the Western Wall to the Jews


Nederlands - English

NEDERLANDS:

Een donquichot-achtige ouverture van een moedige prins lag 90 jaar lang verborgen in dossiers bij het UK Koloniale Bureau, waar deze auteur het ontdekte. Nu kan het met trots zijn plaats in de geschiedenis innemen.

Bron: Times of Israel
Vertaling: Paula van den Bos - IsraelCNN

Op 29 augustus 1929 liep Prins Mohamed Ali Pasha, de oom en toekomstige regent van koning Farouk van Egypte, de Britse ambassade in Istanbul binnen en bezorgde de Britse ambassadeur Sir George Clerk een brief. De brief was gericht aan de Britse Hoge Commissaris voor Palestina, Sir John Chancellor. De prins vroeg Ambassadeur Clerk om de brief door te sturen naar de kanselier in Jeruzalem.

De prins had de brief geschreven en ondertekend minder dan een week na de schokkende slachtingen op 24 augustus 1929 in Hebron, na maanden van stijgende spanningen aan de Westelijke Muur (Klaagmuur). De brief begon met het betreuren van het geweld, waarbij de prins de hoop uitsprak dat de Arabieren en Joden hun verschillen vreedzaam konden regelen. De prins opperde toen een verbluffende suggestie:

Mijn voorstel voor een oplossing is dat in plaats van vechten of onrechtvaardig handelen door de ene of de andere partij, het oneindig veel beter zou zijn om tot overeenstemming te komen. De mohammedanen zijn misschien bereid om een geldsom te accepteren die hen zou helpen om goed te doen voor de gemeenschap. Als de Joden die Klaagmuur zo graag willen hebben en omdat ze rijk zijn, lijkt er geen reden waarom ze er niet voor zouden betalen. Als dit zou kunnen, zou dit dwang en mogelijk onrecht aan een van de partijen voorkomen. Ik ben er zeker van dat de Mohammedanen en Arabieren een klein bedrag zoals £ 10.000 of zelfs £ 20.000 niet zullen accepteren voor een zaak waarbij hun eer tot nu toe in het geding is ... Laat ze £ 100.000 geven en ik ben ervan overtuigd dat dit het geschil zal oplossen.

Dit verhaal, met het verrassende voorstel van Prins Mohamed Ali Pasha om de Westelijke Muur aan de Joden te verkopen, wordt hier voor het eerst onthuld.

De Tempelberg en de Westelijke Muur vertegenwoordigen tegenwoordig de bepalende religieuze symbolen van het Arabisch-Israëlische conflict. Hetzelfde gold in de jaren 1920, na de Britse verovering van Palestina. Moslims en joden botsten herhaaldelijk over de muur gedurende de twintiger jaren.

De joden claimden gebedsrechten bij de muur, het enige overeind gebleven overblijfsel van de oude tempel en de heiligste en meest gewijde plaats voor joden om te bidden. Joden hadden bijna continu bij of dichtbij de muur gebeden sinds de Romeinse verovering.

'De Mohammedanen zijn misschien bereid om een som geld te accepteren die hen zou helpen goed te doen voor de gemeenschap. Als de Joden die Klaagmuur zo graag willen hebben en omdat ze rijk zijn, lijkt er geen reden waarom ze er niet voor zouden betalen. 

De moslims op hun beurt beschouwden de muur (of de Buraq, genoemd naar Mohammed's ros die de engel Gabriel volgens de moslimlegende aan de muur vastbond aan het einde van Mohammed's hemelse reis vanuit Mekka) als een islamitische heilige plaats. De muur was bijna een millennium geleden als Wakf-bezit ingewijd. De moslims beweerden dat zowel de muur als de smalle strook met uitzicht op de muur hun absolute eigendom was. Vóór 1967, zoals te zien op de volgende foto, was het trottoir ingesloten tussen de muur aan de ene kant en een gebied van kleine woningen, bekend als de "Moghrabi Quarter," aan de andere kant:

De westelijke muur en smalle strook  bestrating, eind 19e eeuw (Library of Congress).

De moslims weigerden de joden het recht te verlenen om bij de muur te bidden, uit angst dat de joden dat zouden gebruiken als een wig om verder het moslimbezit te betreden en uiteindelijk de controle over het hele gebied van de Tempelberg te grijpen. Tijdens de Ottomaanse tijd betaalden de joden kleine steekpenningen om stoelen en banken bij de muur te mogen zetten, zelfs toen de Ottomaanse autoriteiten formele regels opstelden die dergelijke praktijken al in 1911 verboden.

Nadat de Britten Jeruzalem in december 1917 hadden veroverd, beloofde generaal Allenby onmiddellijk om de zogenaamde Status Quo m.b.t. de heilige plaatsen te respecteren. Allenby's belofte werd vijf jaar later ingebed als een juridisch concept in artikel 13 van het Mandaat voor Palestina, op grond waarvan de Britten "bestaande rechten” op de Heilige Plaatsen moesten handhaven.

De Britten bevonden zich al snel tussen conflicterende Joodse en islamitische beweringen van rechten en aanspraken op de Westelijke Muur en de bestrating tegenover de Muur. Toen de Joden, tijdens de Ottomaanse tijd, individuele gebeden op de muur mochten uitspreken, hadden de autoriteiten (met mandaat) grote moeite om de wankele status-quo te handhaven. De Joden mochten geen stappen ondernemen die konden worden beschouwd als symbolisch eigendom van de muur. Zo handhaafden de Britten het Turkse verbod op de Joden om stoelen en banken bij de muur te zetten, evenals de meeste andere voorwerpen behorend bij gemeenschappelijk gebed.

Joodse legioensoldaten aan de Westmuur na Britse verovering van Jeruzalem, 1917 (Public Domain)

De spanningen leidden tot discussies bij de muur tijdens Pascha 1922, Yom Kippur 1923 en Yom Kippur 1925. De meest opvallende confrontatie vond plaats op Yom Kippur 1928, toen de Britse plaatsvervangend districtscommissaris voor Jeruzalem, E. Keith-Roach, de Joden dwong een scherm (mehitza) te verwijderen, dat de Joden op de stoep voor de muur hadden geplaatst om mannen van vrouwen te scheiden.  De Joden hebben toen een boos protest bij de Volkenbond ingediend. 

De spanningen bleven escaleren in 1929 toen de Mufti, Haj Amin al-Husseini, de zogenaamde Buraq-campagne lanceerde om het moslim- en Arabische nationalistische sentiment rond het muurgeschil te sussen. De Joden vormden ook groepen om hun beweerde rechten op de muur te 'verdedigen'.

De spanningen bereikten het kookpunt en monden uit in geweld in augustus 1929. Op Tisha b'Av (15 augustus) 1929 marcheerde een groep joodse jongeren naar de muur, waar ze de blauwe en witte vlag ophieven, luisterden naar een korte toespraak van een van hun leiders, en het Hatikvah zongen. De moslims hielden de volgende dag, de verjaardag van de profeet Mohammed, een tegendemonstratie. De moslimdemonstratie werd snel gewelddadig, wat resulteerde in de moorden op verschillende Joden buiten de Oude Stad. Het geweld duurde de volgende week voort, met als hoogtepunt het bloedbad in Hebron op 24 augustus 1929, waar ongeveer 60 Joden werden afgeslacht.

Joden ontvluchten de oude stad van Jeruzalem, augustus 1929. (US Library of Congress / Public Domain)

Hoewel de geschiedenis van de gewelddadige botsingen aan de muur in de jaren 1920 vaak is verteld, was minder bekend dat de Joden en Britten verschillende pogingen hadden ondernomen om een deal te sluiten met de moslims om het gebied voor de muur en de muur zelf te kopen.

Sir Ronald Storrs (Library of Congress / Public Domain)

In het voorjaar van 1918 benaderde Chaim Weizmann bijvoorbeeld de Britse militaire regering met het voorstel de muur en het wegdek, samen met de Moghrabi-woningen te kopen. De militaire gouverneur, Sir Ronald Storrs, bracht dat idee over naar de moslimgemeenschap. Storrs meldde dat de moslims beledigd waren, en dat "het een ernstige beleidsfout zou zijn van de militaire regering om de vraag überhaupt aan de orde te stellen."

In augustus 1918 vertelde een andere Britse functionaris, brigadegeneraal Sir Gilbert Clayton, aan de moslims dat er de mogelijkheid was 'een grote som geld te krijgen voor een eigendom dat tegenwoordig weinig waard is'. De moslims verzetten zich echter tegen dergelijk initiatief, uit angst dat het de eerste stap zou zijn in de richting van Joodse aanspraak op de Tempelberg.

In oktober 1918 bracht Clayton Londen op de hoogte van een ongeautoriseerde joodse poging om de muur te kopen, waardoor de voortdurende, stille inspanningen van Clayton om de Arabieren over te halen de muur te verkopen, werden verstoord:

“Tot vrij recent waren er geen tekenen dat de moslim hoogwaardigheidsbekleders en notabelen onder de indruk waren van de argumenten die hen uitvoerig werden voorgelegd ten gunste van het plan [voor de joden om de muur te kopen]. De hopeloosheid van het verkrijgen van de middelen om uit te voeren:  het herstel van de Haram es Sharif, de mogelijkheid om de Wakf-schatkist aan te vullen en zo moslimonderwijs op een liberale schaal te bevorderen, de relatieve onbelangrijkheid en armoe van de gebouwen en hun [Marokkaanse] inwoners in het district, de sluimerende angst dat ze op een dag voor niets (als een stadsverbeteringsplan of anderszins) zouden toegeven, waarvoor ze nu een zeer grote som geld zouden ontvangen - deze en een aantal andere overwegingen leken een 'non possumus ' (niet-mogelijk) houding te veranderen in kritiek en angst voor het effect op de lokale en algemene islamitische wereld. Vanaf het moment dat echter een poging van een jood uit Jeruzalem werd gedaan (ongetwijfeld zonder de kennis van de zionistische commissie) om rechtstreeks met de betrokken moslims in contact te komen over geld, brak er iets van paniek uit en vanaf die dag hebben de dingen zich van slecht naar nog slechter ontwikkeld met betrekking tot wat de zionisten in dit opzicht hoopten. '

In 1926 werd een joodse poging gedaan om onroerend goed vóór de muur te kopen als een eerste stap in de richting van het verwerven van het hele Moghrabi-gebied en uiteindelijk de muur zelf. Begin oktober 1928 stelde Frederick Kisch, een in Jeruzalem gevestigde zionistische functionaris, in een vertrouwelijke brief aan de zionistische uitvoerende macht in Londen voor, dat de moslims zouden worden gedwongen de bestrating en het Moghrabi-gebied aan de Joden te verkopen voor £ 100.000, 'in ruil voor een ander geschikt gebied in de oude stad, met de onvermijdelijke toevoeging dat er aan de  Wakf-autoriteiten contant betaald zou worden. "

Maar deze inspanningen, zoals die ervoor, liepen op niets uit.

Drie unieke initiatieven

Plots verschenen er echter drie dagen na het bloedbad in Hebron drie nieuwe initiatieven. Ze werden kort na elkaar verstuurd en op spectaculaire manier gepresenteerd, met name het voorstel van Prins Mohamed Ali Pasha. Geen van deze nieuwe initiatieven had succes, maar waren wel uniek in de geschiedenis van het Palestina Mandaat.

Het eerste initiatief kwam van een prominente Egyptische jood, de baron Felix de Menasce, de president van de Israëlische gemeenschap in Alexandrië. Op 26 augustus 1929, slechts twee dagen na het bloedbad van Hebron, liep Menasce de Britse ambassade in Parijs binnen en ontmoette Adrian Holman, de tweede secretaris van de ambassade. Later die dag stuurde Holman het ministerie van buitenlandse zaken in Londen een telegram en rapporteerde het als volgt:

“[Menasce] legde me uitvoerig uit dat de veel voorkomende gevallen van rellen bij de Klaagmuur te wijten waren aan het feit dat de gebouwen rondom de muur in handen waren van de moslims. Het religieuze karakter van deze gebouwen werd door de Britse regering onderkend. Bijgevolg was het voor de Joden altijd onmogelijk gebleken om de betreffende gebouwen te kopen en zo problemen in de toekomst te voorkomen. Hij beweerde dat het karakter van de gebouwen niet religieus was, maar zuiver civiel. Ook beweerde hij dat het huidige moment een geschikt moment zou kunnen zijn voor de Britse regering om de mogelijkheid te overwegen om voor de Joodse gemeenschap te regelen de gebouwen te kopen voor sloop of andere doeleinden. Hij was ervan overtuigd dat als dit zou gebeuren, de Joodse gemeenschap over de hele wereld gemakkelijk de benodigde som geld zou kunnen vinden. '

George W. Rendell van de Eastern Division van het ministerie van Buitenlandse Zaken reageerde op het telegram van Holman op 7 september en merkte op dat de moslims de muur als een religieuze plaats beschouwden en niet bereid zouden zijn de nabijgelegen woningen aan de Joden te verkopen. Rendell zwakte het idee nog verder af en voegde eraan toe: 'Ik denk dat het Koloniale Kantoor bekend is met de voordelen en moeilijkheden van een oplossing in de trant van het voorstel van de Baron de Menasce. Daar ik zie hoe overwerkt ze zijn op het moment vanwege een verscheidenheid aan crises in het Midden-Oosten, breid ik de briefwisseling niet uit met deze suggestie. "

Dr. Chaim Weizmann. (AP Foto 1938)

Menasce stuurde een handgeschreven brief in het Frans aan Weizmann over zijn ontmoeting met Holman op de Britse ambassade in Parijs. Menasce schreef: "J'ai la conviction c'est le moment psychologique de transfer tout l'argent necessaire, si jamais les Juifs deraint acheter ce Wakf ..." ("Ik ben ervan overtuigd dat als de Joden ooit deze Wakf gaan kopen, dit psychologisch het juiste moment is om al het benodigde geld te vinden ... ”) Er is geen verslag gevonden waaruit blijkt of Menasce namens Weizmann had gehandeld of dat Weizmann ooit op Menasce had gereageerd.

Het tweede initiatief kwam van Pinchas Rutenberg, de algemeen directeur van de Palestine Electric Corporation. Op 29 augustus 1929, drie dagen na de bijeenkomst van Menasce op de Britse ambassade in Parijs, stuurde Rutenberg een brief aan Lord Reading (voorheen bekend als Rufus Isaacs, een Jood en voorzitter van de Palestine Electric Corporation). Hij spoorde de Britse regering daarin aan het hele gebied voor de Klaagmuur te onteigenen om zo 'een geschikte en waardige Joodse gebedsplaats' te creëren.

Dit was niet de eerste keer dat onteigening werd opgevoerd, maar nooit op zo'n hoog niveau. Rutenberg was een vooraanstaande joodse zakenman in Palestina en de toekomstige voorzitter van de Va'ad Leumi. Lord Reading bracht de zaken naar het allerhoogste niveau van de Britse regering en stuurde de brief van Rutenberg de volgende dag door aan premier Ramsay MacDonald, met een begeleidende brief van goedkeuring:

“Ik zou daarom oprecht willen verklaren dat de nodige maatregelen moeten worden genomen zodra dit praktisch haalbaar is om een einde te maken aan deze oorzaak van geschil door het meer uitgebreide gebied te onteigenen, zoals de Heer Rutenberg in zijn brief aan mij suggereerde. Ik begrijp dat dit kan worden bereikt zonder zich te bemoeien met enig deel van voor Moslims 'Heilige Grond'. "

Maar er kwam niets van Rutenbergs onteigeningsvoorstel terecht. Het Koloniale Bureau reageerde negatief en merkte op: "De huidige tijd is niet opportuun om de kwestie van de onteigening te overwegen ... Nog afgezien van het juridische aspect, zouden dergelijke acties door de moslims zeer kwalijk worden genomen en we hebben tot nu toe de lijn gevolgd dat onteigening niet aan de orde is."

Bovendien had de Hoge Commissaris Kanselier aan de Permanente Mandaten Commissie (PMC) van de Volkenbond in juli 1929 al verteld dat de eerste conclusie die hij had getrokken na zijn aankomst in Palestina als Hoge Commissaris en na het bestuderen van de kwestie van de Westelijke Muur was, dat "er geen ... poging zou worden gedaan om het gebied van de bestrating voor de muur te onteigenen ten gunste van de Joden.”

Mufti van Jeruzalem Haj Amin al-Husseini (Library of Congress / Public Domain)

Tijdens diezelfde PMC-bijeenkomst onthulde de Kanselier dat hij persoonlijk de Mufti had gevraagd om te overwegen de Moghrabi-woningen ('minderwaardige krotten', zoals hij ze beschreef) te verkopen aan de Joden, ervan uitgaande dat de Joden zouden betalen om de Moghrabi-bewoners te verhuizen naar betere accommodaties ergens anders. De Kanselier legde uit dat de Joden 'in staat zouden zijn om er een binnenplaats van te maken omgeven door een loggia waar ze hun gebeden in vrede en in een waardige omgeving konden uitspreken'.

Weizmann omarmde het idee en had £ 70.000 bij de hand. Maar de Mufti verwierp het plan, zelfs nadat de Kanselier de Mufti had voorgesteld een indirecte verkoop te overwegen, waarbij de Mufti het onroerend goed aan de Mandaat-Regering als tussenpersoon zou overdragen. Die zou vervolgens de verkoop aan de Joden kunnen voltooien, waardoor voorkomen zou worden dat de Mufti beschouwd zou worden als iemand die moslimbezit aan de joden had verkocht.

Een ongekend voorstel

Het derde initiatief betrof prins Mohamed Ali Pasha van Egypte. Ali Pasha had het beroemde Manial Palace gebouwd op Rhoda Island aan de Nijl in Caïro. De prins was de oom van en toekomstige regent van Farouk, de toekomstige koning van Egypte. Degenen die Ali Pasha kenden, beschouwden hem als een 'zeer liberale man' met een 'hoofse houding'. Storrs beschreef Ali Pasha in zijn memoires als 'Prins Mohammed’, nadien ‘Regent’, “met zijn grote 'gelukkige’ ring met smaragd, de nieuw leven ingeblazen Oosterse pracht van zijn Manial Palace, zijn hoofse houding en sierlijk amusement; zijn fijne toewijding aan zijn moeder. "De joodse, in Alexandrië gevestigde advocaat Alec Alexander beschreef Ali Pasha ooit als" de persoon die zijn goede functies kon gebruiken om vrede tussen Moslims en Joden tot stand te brengen. "

Prins Mohamed Ali Pasha (Public Domain)

In een verbazingwekkende samenloop van de geschiedenis verscheen Ali Pasha op 29 augustus 1929 op het podium, dezelfde dag dat Rutenberg zijn brief aan Lord Reading had gestuurd, en slechts drie dagen na de ontmoeting van Menasce met Holman op de Britse ambassade in Parijs. Op die noodlottige dag van 29 augustus 1929 gaf Ali Pasha tijdens een bezoek aan Istanboel een brief aan de Britse ambassadeur in Turkije, Sir George Clerk, een brief aan de Hoge Commissaris Kanselier in Jeruzalem. De brief bevatte een verbluffend voorstel van Ali Pasha voor het beslechten van het Moslim-Joodse geschil over de Westelijke Muur:

“Na gehoord te hebben over de problemen die zich in Palestina voordoen tussen Joden en Mohammedanen, en met een zekere kennis van de Arabische en Mohammedaanse ambities, dacht ik dat ik van dienst zou kunnen zijn om een voorstel te schetsen waardoor deze ruzie misschien vreedzaam kan worden beëindigd.

De Mohammedanen en Arabieren zijn al meer dan duizend jaar meesters in Palestina, ze vechten voor hun eer en willen niets verliezen dat ze als bezit hebben verworven. Ze vrezen dat ze via administratieve kanalen of met geweld uiteindelijk gedwongen zullen worden afstand te doen van de rechten die ze al zo lang hebben.

Iedereen weet dat in elk land na het verstrijken van een bepaalde periode eigendomsrechten zijn vastgesteld. In dit geval gaan de rechten van de Mohammedanen duizend jaar terug.

Mijn voorstel voor een oplossing is dat in plaats van vechten of onrechtvaardig handelen door de ene of de andere partij, het oneindig veel beter zou zijn om tot overeenstemming te komen. De Mohammedanen zijn misschien bereid om een som geld te accepteren die hen zou helpen goed te doen voor de gemeenschap. Omdat de Joden rijk zijn, lijkt dit geen reden waarom ze er niet voor zouden moeten betalen als dit ‘ding’ zo gewenst is. Als dit zou kunnen gebeuren, zou dit dwang en mogelijk onrecht aan een van de partijen voorkomen.

Ik ben er zeker van dat de Mohammedanen en Arabieren een klein bedrag zoals £ 10.000 of zelfs £ 20.000 niet zullen accepteren voor een zaak waar hun eer tot nu toe mee te maken heeft. In Zürich hebben de zionisten £ 240.000 ingezameld voor Palestina. Laat ze £ 100.000 geven en ik ben er zeker van dat dit het geschil zou oplossen. ' 

Hoewel de brief niet specifiek melding maakt van een 'verkoop' van de muur, maakte Ali Pasha in zijn ontmoeting met ambassadeur Clerk duidelijk dat het verkopen van de muur precies zijn bedoeling was. Volgens Clerks toenmalige herinnering aan hun gesprek 'diende Ali Pasha' een suggestie in die, dacht hij, een oplossing zou bieden voor de kwestie van de Klaagmuur in Jeruzalem; 'in het bijzonder' het idee dat de Joden de Muur zouden kopen. ”

De brief van Ali Pasha was buitengewoon. Niemand in de moslimwereld had eerder - of sindsdien - voorgesteld om de Westelijke Muur aan de Joden te verkopen. Zeker, Ali Pasha heeft hier nooit iets over gezegd in de moslimwereld, omdat hij nog bijna drie decennia vreedzaam leefde

Ambassadeur Clerk heeft de brief van Ali Pasha echter nooit doorgestuurd naar de Hoge Commissaris Kanselier in Jeruzalem. In plaats daarvan stuurde Clerk de brief van Ali Pasha rechtstreeks naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Londen, samen met een begeleidend briefje met zijn eigen opmerking dat “het idee van de verkoop van de Muur aan de Joden  al lang is overwogen en afgewezen. Stel dat de Joden bereid waren dat bedrag aan te bieden, dan zouden de recente gebeurtenissen nauwelijks een gunstig uitwerking hebben op acceptatie van dit idee door Moslims, zelfs niet voor £ 100.000 . ”

Het ministerie van Buitenlandse Zaken bewaarde de originele begeleidende brief van de griffier in zijn dossiers, samen met een kopie van de brief van Ali Pasha. Het ministerie van Buitenlandse Zaken maakte de volgende aantekening betreffende de brief van de prins:

Sleutelwoord voor documentatie bij BZ, E 4557/204/65 (3 september 1929; foto door de auteur).

(Klaagmuur, Jeruzalem.Verslag van het gesprek met Prins Mohamed Ali Pasha en bijgesloten de brief dd 29 augustus van hem aan Sir J. Chancellor met de suggestie dat Joden de Klaagmuur zouden kopen van de Moslims voor 100.000 pond. Het idee dat Joden ….. Zie boven.)

WL Knight van Buitenlandse Zaken maakte enkele dagen later een sarcastisch handgeschreven dossier:

Invoer van buitenlandse zaken, E 4557/204/65 (10 september 1929; foto door de auteur).

“Het zou uit de laatste alinea van de brief van de prins blijken, dat hoewel de Arabieren van Jeruzalem hun neus zouden ophalen om hun eer goedkoop te verkopen, ze waarschijnlijk bereid zouden zijn om dat te doen voor £ 100.000! ”

Het ministerie van Buitenlandse Zaken nam de brief van de prins later op in zijn officiële index voor 1929 als: "Voorgestelde verkoop van muur aan Joden door Moslims: voorstel van prins Mohamed Ali Pasha:"

Index BZ, 1929 (foto door de auteur).

Het ministerie van Buitenlandse Zaken stuurde het origineel van de brief van Ali Pasha, samen met het visitekaartje dat Ali Pasha aan ambassadeur Clerk had gegeven, naar het Koloniale Kantoor, waar beide items in een envelop werden gestopt en de volgende 90 jaar werden bewaard.

Het visitekaartje van de prins, gegeven aan de Britse ambassadeur in Turkije, Sir George Clerk, op 29 augustus 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, Londen; foto door de auteur).

De brief van Ali Pasha was buitengewoon. Niemand in de moslimwereld had eerder - of sindsdien - voorgesteld om de Westelijke Muur aan de Joden te verkopen. Zeker, Ali Pasha heeft hier nooit iets over gezegd in de moslimwereld, vandaar dat hij nog bijna drie decennia in vreedzaamheid leefde. Evenmin is er enig bewijs dat hij enige autoriteit had van de moslimautoriteiten in Jeruzalem om het aanbod te doen. Maar zijn brief vertegenwoordigt niettemin een buitengewone en moedige - zo niet enigszins Donquichotachtige - stap voor een zeer prominente Arabische en toekomstige regent van de koning van Egypte, die hij zo snel na het geweld van augustus 1929 heeft genomen.

De brief ondermijnt ook ernstig de claims van moslims met betrekking tot de heiligheid van de Buraq. Ali Pasha zou zeker nooit hebben gedroomd om aan de Joden voor te stellen om werkelijk heilige islamitische heiligdommen, zoals de Rotskoepel of de Al Aqsa-moskee, te verkopen. Het is duidelijk dat hij de Westelijke Muur zelfs niet als een minder belangrijke religieuze plaats voor moslims beschouwde. Er is inderdaad geen bewijs van enig moslimgebed of verering in de Buraq sinds de 7e-eeuwse moslimverovering van Jeruzalem.

Bovendien, tijdens een rechtszaak in 1930, voorgezeten door drie door de Volkenbond goedgekeurde rechters, die moslims tegenover joden zetten met betrekking tot hun respectieve rechten en claims op de muur, bood de Joodse partij het bewijs dat de moslims herhaaldelijk de muur en het trottoir hadden verontreinigd. Dr. Mordechai Eliash, de in Jeruzalem gevestigde advocaat die de Joodse kant vertegenwoordigt, zei het volgende in zijn openingsverklaring (pagina's 53-54 van het transcript, waarvan het enige bewaard gebleven exemplaar zich bevindt in King's College, Londen):

“Er is bewijs voorhanden dat de muur keer op keer werd ontheiligd door daadwerkelijk menselijke uitwerpselen op de stenen te smeren. Het werd steeds toegestaan dat vuil en afval zich daar ophoopten. Keer op keer hebben Joodse individuen en georganiseerde gemeenschappen betaald voor het vegen en schoonmaken van het gebied voor de muur. Er zal worden aangetoond dat een Jood verhinderd heeft dat er een rioolafvoer dicht bij de muur werd gelegd ... "

Hoe dan ook, er is geen bewijs gevonden van verdere actie door Ali Pasha of de Britse regering met betrekking tot het voorstel van Ali Pasha, noch is er enig bewijs in de dossiers van Chancellor of in zijn dagboek dat bewijst of zelfs maar suggereerde dat hij ooit over het bestaan van de brief hoorde.

De originele Ali Pasha-brief, met het enige Arabische aanbod om de muur ooit aan de Joden te verkopen, bleef de volgende 90 jaar begraven in de dossiers van het Koloniale Kantoor.

Brief van Prins Ali Pasha, 29 augustus 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, Londen; foto door de auteur).

Brief van Prins Ali Pasha, 29 augustus 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, Londen; foto door de auteur).

Twee van de belangrijkste historici van Israël uit het Mandaat-tijdperk, professor Motti Golani van de universiteit van Tel Aviv en professor Hillel Cohen van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, hebben vorig jaar op verzoek van de auteur de brief van Ali Pasha en de bijbehorende documenten onderzocht. Beide professoren zeiden dat niets wisten van de brief van Ali Pasha of van enige eerdere publicatie waarin het werd genoemd. Golani noemde het een 'grote ontdekking'. Cohen merkte aanvankelijk op dat er in de tekst van de brief van Ali Pasha geen specifieke verwijzing naar de 'verkoop' van de muur was, maar na het lezen van Clerk's sollicitatiebrief aan het ministerie van Buitenlandse Zaken erkende Cohen dat de brief van Ali Pasha inderdaad een impliciet aanbod om de muur te verkopen inhield.

Er blijft een vraag over: is het mogelijk dat Ali Pasha en Menasce van elkaars initiatieven wisten? Twee zeer prominente Egyptenaren, een Moslim en een Jood, benaderden binnen drie dagen na elkaar afzonderlijk de Britse ambassades in Istanbul en Parijs met het idee aan de Joden voor te stellen de Westelijke Muur en de omgeving te kopen. Misschien hadden ze hun inspanningen gecoördineerd en zo zorgvuldig mogelijk geregisseerd om detectie te voorkomen? Of misschien hadden geen van beiden enig idee van de activiteit van de ander, en hun bezoeken aan de Britse ambassades in Parijs (maandag) en Istanbul (donderdag) van dezelfde week waren puur toeval? We zullen het aan anderen overlaten om dat mysterie op te lossen.

Hoe dan ook, de brief van Prins Mohamed Ali Pasha is een opmerkelijk bewijs van de moed en creativiteit van deze stadse en wereldlijke Egyptische prins, die met groot persoonlijk risico een initiatief lanceerde om vrede te brengen tussen de Moslims en Joden van het Mandaat Palestina.

Wet en het Arabisch-Israëlische conflict door Steven E. Zipperstein

De brief van de prins, die de afgelopen 90 jaar in de archieven van het Koloniale Bureau is verborgen gebleven, kan nu met trots zijn rechtmatige plaats in de geschiedenis innemen.Steven E. Zipperstein is de auteur van het komende boek "Law and the Arab-Israeli Conflict: The Trials of Palestine" (Routledge, maart 2020), waaraan dit artikel is ontleend. Zipperstein, een voormalige federale officier van justitie, is een hoofdmedewerker bij het Centre for Middle East Development bij UCLA. Hij geeft ook les in het UCLA's Global Studies-programma en School of Public Affairs, en is gastprofessor aan de Buchmann Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Tel Aviv.

(Copyright Steven E. Zipperstein, 2020)



 Tienduizenden bidden aan de Westelijke Muur in de oude stad van Jeruzalem in Selichot (gebeden om vergeving), vroeg op 27 september 2019. (Mendy Hechtman / Flash90)

 

********************************
ENGLISH: 

A quixotic overture by a courageous prince lay hidden in files at the UK Colonial Office for 90 years, where this author discovered it. Now it can proudly take its place in history

By: Times of Israel

On August 29, 1929, Prince Mohamed Ali Pasha, the uncle and future regent to King Farouk of Egypt, walked into the British Embassy in Istanbul and hand-delivered a letter to British Ambassador Sir George Clerk. The letter was addressed to the British High Commissioner for Palestine, Sir John Chancellor. The prince asked Ambassador Clerk to forward the letter to Chancellor in Jerusalem.

The prince had written and signed the letter less than one week after the shocking August 24, 1929, massacres in Hebron, following months of rising tensions at the Western (Wailing) Wall. The letter began by deploring the violence, with the prince expressing hope the Arabs and Jews could settle their differences peacefully. The prince then offered a stunning suggestion:

My proposal for a solution is that, instead of fighting or dealing unjustly by one party or the other, it would be infinitely better to come to an understanding. The Mohametans may be willing to accept a sum of money which would help them to do good for the community and as the Jews are rich, if this thing [the Wailing Wall] is so much desired by them, there seems no reason why they should not pay for it. If this could be done, it would avoid coercion and possibly injustice to one or other of the parties. Certainly I am sure the Mohametans and Arabs will not accept a small sum such as £10,000 or even £20,000 for a matter in which their honour is so far involved… Let them give £100,000 and I feel sure this would settle the difference.

This is the story of Prince Mohamed Ali Pasha’s surprise proposal to sell the Western Wall to the Jews, revealed here for the first time.

The Temple Mount and the Western Wall today represent the defining religious symbols of the Arab-Israeli conflict. The same was true during the 1920s, following the British conquest of Palestine. Muslims and Jews clashed repeatedly over the Wall throughout the 1920s.

The Jews claimed rights of prayer at the Wall, the only surviving remnant of the ancient Temples and the holiest and most sacred site for Jews to pray. Jews had been praying at or near the Wall nearly continuously since the Roman conquest.

‘The Mohametans may be willing to accept a sum of money which would help them to do good for the community and as the Jews are rich, if this thing [the Wailing Wall] is so much desired by them, there seems no reason why they should not pay for it’

The Muslims, for their part, also regarded the Wall (or the Buraq, named for Mohammed’s steed whom the Angel Gabriel, according to Muslim legend, tethered to the Wall at the end of Mohammed’s celestial journey from Mecca) as an Islamic Holy site that had been dedicated as Wakf property nearly a millennium ago. The Muslims asserted absolute ownership of both the Wall and the narrow strip of pavement facing the Wall. Prior to 1967, as shown in the following photograph, the pavement was sandwiched between the Wall on one side and an area of small dwellings, known as the “Moghrabi Quarter,” on the other side:

The Western Wall and narrow strip of pavement, late 19th Century (Library of Congress).

The Muslims refused to accord the Jews any rights to pray at the Wall, for fear the Jews would use that as a wedge to encroach further on Muslim property and eventually seize control of the entire Temple Mount area. During Ottoman times the Jews would pay small bribes to bring chairs and benches to the Wall, even as the Ottoman authorities issued formal rulings banning such practices as late as 1911.

After the British captured Jerusalem in December 1917, General Allenby immediately pledged to honor the so-called Status Quo prevailing at the Holy Sites. Allenby’s pledge became embedded as a legal concept five years later in Article 13 of the Mandate for Palestine, requiring the British to “preserve existing rights” at the Holy Sites.

The British soon found themselves caught in the middle between conflicting Jewish and Muslim assertions of rights and claims to the Western Wall and the pavement facing the Wall. The Mandatory authorities struggled to enforce the shaky Status Quo that had prevailed during Ottoman times, when Jews were allowed to utter individual prayers at the Wall, but not allowed to take any steps which could be viewed as asserting symbolic ownership of the Wall. Thus, the British enforced the Turkish ban on the Jews bringing chairs and benches to the Wall, as well as most other accoutrements of congregational prayer.

Jewish Legion soldiers at the Western Wall after British conquest of Jerusalem, 1917 (Public Domain)

The tensions led to controversy at the Wall during Passover 1922, Yom Kippur 1923 and Yom Kippur 1925. The most notable confrontation occurred on Yom Kippur 1928, when the British Deputy District Commissioner for Jerusalem, E. Keith-Roach, ordered the forcible removal of a screen (mehitza) the Jews had placed on the pavement in front of the Wall to divide men from women, causing the Jews to file an angry protest with the League of Nations. Tensions continued escalating during 1929 as the Mufti, Haj Amin al-Husseini, launched the so-called Buraq Campaign to galvanize Muslim and Arab Nationalist sentiment around the Wall dispute. The Jews likewise formed groups to “defend” their asserted rights to the Wall.

The tensions reached boiling point and exploded into violence in August 1929. On Tisha b’Av (August 15) 1929, a group of Jewish youth marched to the Wall, where they raised the blue and white flag, listened to a brief speech from one of their leaders, and sang the Hatikvah. The Muslims held a counter-demonstration the following day, the Prophet Mohammed’s birthday. The Muslim demonstration quickly turned violent, resulting in the murders of several Jews outside the Old City. The violence continued throughout the following week, culminating in the Hebron massacre of August 24, 1929, where approximately 60 Jews were butchered.


Jews flee the Old City of Jerusalem, August 1929. (US Library of Congress / Public Domain)

While the history of the violent clashes at the Wall during the 1920s has been told many times, less-known were various attempts by the Jews and British to strike a deal with the Muslims to buy the area in front of the Wall and the Wall itself.

Sir Ronald Storrs (Library of Congress / Public Domain)

In the spring of 1918, for example, Chaim Weizmann approached the British military government about buying the Wall and pavement area, along with the Moghrabi dwellings. The Military Governor, Sir Ronald Storrs, floated the idea with the Muslim community. Storrs reported the Muslims were offended, and “it would be a grave error of policy for the Military Government to raise the question at all.”

In August 1918, another British Official, Brigadier General Sir Gilbert Clayton, told the Muslims they might be able to secure “a large sum of money for a property which is to-day of little value.” The Muslims, however, opposed any such initiative, fearing it would be the first step toward Jewish encroachment on the Temple Mount.

In October 1918, Clayton notified London of an unauthorized Jewish attempt to buy the Wall, interfering with Clayton’s ongoing, quiet efforts to persuade the Arabs to consider selling the Wall:

“Up to quite recently signs were not wanting that the Moslem Dignitaries and notables were beginning to be impressed with the arguments explained to them at great length in favour of the scheme [for the Jews to buy the Wall]. The hopelessness … of obtaining the funds to put into effect … the restoration of the Haram es Sharif, the possibility of replenishing the Wakf coffers and so promoting Moslem education of a liberal scale, the comparative unimportance and squalor of the buildings and their [Moroccan] inhabitants in the precinct, the lurking fear that they might have one day to yield for nothing (as a City improvement scheme or otherwise) that for which they would now receive a very large sum of money – these and a variety of other considerations appeared to be modifying a ‘non possumus’ attitude into one of critical apprehension and fear of the effect on the local and general Islamic world. From the moment, however, that an attempt was apparently made by a Jerusalem Jew (doubtless without the knowledge of the Zionist Commission) to get into direct pecuniary contact with the Moslems concerned something approaching a panic set in, and from that day things have gone from bad to worse in so far as concerns the Zionist hopes in this respect.”

In 1926, a Jewish effort was launched to buy properties in front of the Wall as a first step toward acquiring the entire Moghrabi area and eventually the Wall itself. In early October 1928, Frederick Kisch, a Jerusalem-based Zionist official proposed, in a confidential letter to the Zionist Executive in London, that the Muslims be compelled to sell the pavement and the Moghrabi area to the Jews for £100,000, “in exchange for another suitable area in the Old City, with the inevitable addition of a cash payment for the benefit of the Wakf authorities.”

But these efforts, like those preceding them, went nowhere.

Three unique initiatives

Suddenly, however, in the days immediately following the Hebron massacre, three new initiatives appeared. While none of these new initiatives succeeded, their close proximity to each other and the dramatic nature of their presentation make them, especially Prince Mohamed Ali Pasha’s proposal, unique in the history of Mandate Palestine.

The first initiative came from a prominent Egyptian Jew, the Baron Felix de Menasce, the President of the Israelite Community in Alexandria. On August 26, 1929, only two days after the Hebron Massacre, Menasce walked into the British Embassy in Paris and met with Adrian Holman, the Second Secretary at the Embassy. Later that day Holman cabled the Foreign Office in London and reported as follows:

“[Menasce] explained to me at some length that the frequent cases of rioting at the Wailing Wall were due to the fact that the buildings surrounding the Wall were in the hands of the Moslems and had always been looked upon by the British Government as bearing a religious character. It had consequently always proved impossible for the Jews to buy the buildings in question and thus prevent troubles in the future. He maintained that the buildings were purely civil as opposed to religious and that the present moment might be an opportune one for the British Government to reconsider the possibility of arranging for the Jewish community to buy the buildings for demolition or other purposes. He was sure that if this were done, the Jewish community throughout the world would easily be able to find the necessary sum of money.”

George W. Rendell of the Foreign Office’s Eastern Division responded to Holman’s cable on September 7, noting the Muslims viewed the Wall as a religious site and would not be willing to sell the nearby dwellings to the Jews. Rendell poured more cold water on the idea, adding, “[t]he Colonial Office are, I think, familiar with the advantages and difficulties of a solution on the lines of the Baron de Menasce’s proposal, and seeing how overworked they are at the moment with a variety of Middle Eastern crises, I am not adding to their correspondence by passing the suggestion on to them.”

Dr. Chaim Weizmann. (AP Photo 1938)

Menasce sent a handwritten letter in French to Weizmann reporting on his meeting with Holman at the British Embassy in Paris. Menasce wrote, “J’ai la conviction c’est le moment psychologique de transfer tout l’argent necessaire, si jamais les Juifs deraint acheter ce Wakf …” (“I am convinced that if the Jews are ever going to buy this Wakf, this is, psychologically, the right time to find all the necessary money …”) No record has been found indicating whether Menasce had been acting on Weizmann’s behalf, or whether Weizmann ever responded to Menasce.

The second initiative came from Pinchas Rutenberg, the Managing Director of the Palestine Electric Corporation. On August 29, 1929, three days after Menasce’s meeting at the British Embassy in Paris, Rutenberg sent a letter to Lord Reading (previously known as Rufus Isaacs, a Jew and Chairman of the Palestine Electric Corporation), urging the British government to expropriate the entire area in front of the Wailing Wall to create “a suitable and dignified Jewish praying place.”

This was not the first time expropriation had been floated, but never at such a high level. Rutenberg was the preeminent Jewish businessman in Palestine and the future Chair of the Va’ad Leumi. Lord Reading took matters to the very highest level of the British Government, forwarding Rutenberg’s letter to Prime Minister Ramsay MacDonald the next day, with a cover letter of endorsement:

“I would therefore earnestly represent that the necessary measures should be adopted as soon as practicable to make a complete end of this cause of dispute by expropriating the more extended area, as suggested by Mr. Rutenberg in his letter to me. I understand that this could be accomplished without interfering with any part of Moslem ‘Holy Ground.’”

But nothing came of Rutenberg’s expropriation proposal. The Colonial Office reacted negatively, noting “the present time is not opportune for considering the question of compulsory expropriation… Quite apart from the legal aspect, such action would be intensely resented by the Moslems and we have taken the line hitherto that expropriation is out of the question.”

In addition, High Commissioner Chancellor had already told the Permanent Mandates Commission (PMC) of the League of Nations in July 1929 that the first conclusion he came to after arriving in Palestine as High Commissioner and studying the Western Wall issue was that “there must not … be any attempt to expropriate, in favour of the Jews, the area of the pavement in front of the Wall.”

Mufti of Jerusalem Haj Amin al-Husseini (Library of Congress / Public Domain)

However, at that same PMC meeting, Chancellor disclosed he personally had asked the Mufti to consider selling the Moghrabi dwellings (“mean hovels,” as he described them) to the Jews, assuming the Jews would pay to relocate the Moghrabi inhabitants to superior accommodations elsewhere. Chancellor explained the Jews would be able “to make there a courtyard surrounded by a loggia where they could say their prayers in peace and in dignified surroundings.”

Weizmann embraced the idea and had £70,000 at the ready. But the Mufti rejected the plan, even after Chancellor suggested the Mufti consider an indirect sale, whereby the Mufti would transfer the property to the Mandatory Government as middleman, which would then complete the sale to the Jews, thereby allowing the Mufti to avoid looking as if he had sold Muslim property to the Jews.

An unprecedented proposal

The third initiative involved Prince Mohamed Ali Pasha of Egypt. Ali Pasha had built the famous Manial Palace on Rhoda Island on the Nile River in Cairo. The prince was the uncle of and future Regent to Farouk, the future King of Egypt. Those who knew Ali Pasha regarded him as a “very liberal-minded man,” with a “courtly bearing.” Storrs described Ali Pasha in his memoirs as “Prince Muhammad, afterwards Regent, with his great “lucky” emerald ring, the revived Oriental splendours of his Manial Palace, his courtly bearing and graceful entertainment; his fine devotion to his mother.” The Jewish, Alexandria-based lawyer Alec Alexander once described Ali Pasha as “the one person who could use his good offices to bring about peace between Muslims and Jews.”

Prince Mohamed Ali Pasha (Public Domain)

In an amazing coincidence of history, Ali Pasha entered the stage on August 29, 1929, the same day Rutenberg had sent his letter to Lord Reading, and only three days after Menasce’s meeting with Holman at the British Embassy in Paris. On that fateful day of August 29, 1929, Ali Pasha, while on a visit to Istanbul, hand-delivered to the British Ambassador to Turkey, Sir George Clerk, a letter addressed to High Commissioner Chancellor in Jerusalem. The letter contained a stunning proposal from Ali Pasha for settling the Muslim-Jewish dispute over the Western Wall:

“Having heard about the troubles going on in Palestine between Jews and Mohametans, and having a certain knowledge of the Arab and Mohametan aspirations, I thought I might be of service outlining a proposal by which this quarrel might perhaps be ended peacefully.

The Mohametans and Arabs having been masters in Palestine for over one thousand years, they are fighting for their honour and do not want to lose anything which they have acquired as a possession. They fear that either through administrative channels or by force they will be compelled ultimately to relinquish rights they have held for so long.

Every one knows that in every country in law after the lapse of a certain period proprietary rights are established. In this case the rights of the Mohametans go back one thousand years.

My proposal for a solution is that, instead of fighting or dealing unjustly by one party or the other, it would be infinitely better to come to an understanding. The Mohametans may be willing to accept a sum of money which would help them to do good for the community and as the Jews are rich, if this thing is so much desired by them, there seems no reason why they should not pay for it. If this could be done, it would avoid coercion and possibly injustice to one or other of the parties.

Certainly I am sure the Mohametans and Arabs will not accept a small sum such as £10,000 or even £20,000 for a matter in which their honour is so far involved. In Zurich the Zionists have collected £240,000 for Palestine. Let them give £100,000 and I feel sure this would settle the difference.”

Although the letter does not specifically mention a “sale” of the Wall, Ali Pasha made clear in his meeting with Ambassador Clerk that selling the Wall was precisely his intention. According to Clerk’s contemporaneous recollection of their conversation, Ali Pasha “submit[ted] a suggestion which would, he thought, provide a solution to the question of the Wailing Wall in Jerusalem;” specifically, “the idea of the Jews buying the Wall.”

Ali Pasha’s letter was extraordinary. No one in the Muslim world had previously – or ever since – proposed to sell the Western Wall to the Jews. Surely Ali Pasha never spoke a word of this to anyone in the Muslim world, as he lived peacefully for nearly three more decades

But Ambassador Clerk never forwarded Ali Pasha’s letter to High Commissioner Chancellor in Jerusalem. Instead, Clerk sent Ali Pasha’s letter directly to the Foreign Office in London, along with a cover note adding his own observation that “the idea of the Jews buying the Wall has long been considered and rejected, and recent events seem scarcely favorable to the idea of the Muslims accepting even as fancy a price as £100,000, supposing the Jews were prepared to offer that sum.”

The Foreign Office kept Clerk’s original cover letter in its files, together with a copy of Ali Pasha’s letter. The Foreign Office made the following file notation regarding the prince’s letter:

Foreign Office File entry, E 4557/204/65 (September 3, 1929; photo by the author).

W. L. Knight of the Foreign Office made a sarcastic handwritten file entry several days later:

“It would appear from the last para. of the prince’s letter that while the Jerusalem Arabs would scorn to sell their honour cheap, they would probably be prepared to do so for £100,000!”

Foreign Office File entry, E 4557/204/65 (September 10, 1929; photo by the author).

The Foreign Office later recorded the prince’s letter in its official index for 1929 as, “Suggested sale of wall to Jews by Moslems: proposal of Prince Mohamed Ali Pasha:”

Foreign Office Index, 1929 (photo by the author).

The Foreign Office sent the original of Ali Pasha’s letter, along with the calling card Ali Pasha had given to Ambassador Clerk, to the Colonial Office, where both items were tucked inside an envelope and filed away for the next 90 years.

The prince’s calling card, given to the British Ambassador to Turkey, Sir George Clerk, on August 29, 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, London; photo by the author).

Ali Pasha’s letter was extraordinary. No one in the Muslim world had previously – or ever since – proposed to sell the Western Wall to the Jews. Surely Ali Pasha never spoke a word of this to anyone in the Muslim world, as he lived peacefully for nearly three more decades. Nor is there any evidence he had any authority from the Muslim authorities in Jerusalem to make the offer. But his letter nevertheless represents an extraordinary and courageous – if not somewhat Quixotic – step for a highly prominent Arab and future Regent to the King of Egypt to have taken so soon after the August 1929 violence.

The letter also seriously undermines Muslim claims regarding the holiness of the Buraq. Surely Ali Pasha would never have dreamed of proposing to sell any truly sacred Muslim shrines, such as the Dome of the Rock or the Al Aqsa Mosque, to the Jews. Clearly he did not regard the Western Wall as even a minor Muslim religious site. Indeed, no evidence exists of any Muslim prayer or veneration at the Buraq since the 7th Century Muslim conquest of Jerusalem.

Moreover, during a 1930 courtroom trial presided over by three League of Nations-approved judges, pitting Muslims against Jews regarding their respective rights and claims to the Wall, the Jewish side offered evidence that the Muslims had repeatedly defiled the Wall and the pavement. Dr. Mordechai Eliash, the Jerusalem-based lawyer representing the Jewish side, said the following in his opening statement (pages 53-54 of the transcript, the only surviving copy of which is located at King’s College, London):

“Evidence will be brought before you that time and again the Wall was desecrated by actually smearing human excreta on its stones. Filth and rubbish were always allowed by the Mughrabis to accumulate there, while time and again have Jewish individuals and organized communities paid for the sweeping and cleaning of the area in front of the Wall, and it will be shown to you that it was through Jewish intervention that a sewage drain was not laid close to the Wall …”

In any event, no record was found of any further action by Ali Pasha or the British Government regarding Ali Pasha’s proposal, nor is there any evidence in Chancellor’s files or his diary proving or even hinting he ever learned of the letter’s existence.

The original Ali Pasha letter, containing the only Arab offer ever to sell the Wall to the Jews, remained buried in the Colonial Office files for the next 90 years.

Prince Ali Pasha’s letter, August 29, 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, London; photo by the author).

Prince Ali Pasha’s letter, August 29, 1929 (CO 733/163/5, British National Archives, London; photo by the author).

Two of Israel’s leading historians of the Mandate era, Professor Motti Golani of Tel Aviv University and Professor Hillel Cohen of the Hebrew University of Jerusalem, examined Ali Pasha’s letter and the related documents at the author’s request last year. Both professors said they were unaware of Ali Pasha’s letter or of any prior publication mentioning it. Golani called it a “major discovery.” Cohen initially noted the absence of any specific reference to “selling” the Wall in the text of Ali Pasha’s letter, but after reading Clerk’s cover letter to the Foreign Office, Cohen acknowledged Ali Pasha’s letter indeed conveyed an implicit offer to sell the Wall.

One lingering question remains: is it possible Ali Pasha and Menasce knew of each other’s initiatives? Two very prominent Egyptians, one Muslim and one Jewish, within three days of each other separately approached the British Embassies in Istanbul and Paris to float the idea of the Jews buying the Western Wall and the surrounding area. Perhaps they had coordinated their efforts and stage-managed them as carefully as possible to avoid detection. Or perhaps neither had any idea of the other’s activity, and their visits to the British Embassies in Paris (Monday) and Istanbul (Thursday) of the same week were purely coincidental. We will leave that mystery for others to solve.

In any event, Prince Mohamed Ali Pasha’s letter stands as a remarkable testament to the bravery and creativity of this urbane and worldly Egyptian prince, who at great personal risk launched an initiative to bring peace to the Muslims and Jews of Mandate Palestine.

Law and the Arab-Israeli Conflict by Steven E. Zipperstein

The prince’s letter, concealed in the files of the Colonial Office for the past 90 years, can now proudly take its rightful place in history.

********

Steven E. Zipperstein is the author of the forthcoming book “Law and the Arab-Israeli Conflict: The Trials of Palestine” (Routledge, March 2020), from which this article is derived. Zipperstein, a former United States federal prosecutor, is a senior fellow at the Center for Middle East Development at UCLA. He also teaches in UCLA’s Global Studies program and School of Public Affairs, and as a visiting professor at the Buchmann Faculty of Law, Tel Aviv University.

(Copyright Steven E. Zipperstein, 2020)

Tens of thousands pray at the Western Wall in the Old City of Jerusalem in Selichot (forgiveness) prayers, early on September 27, 2019. (Mendy Hechtman/Flash90)

427 views