06 mei 2021

2021-05-06: De 4 mei-mythe, herdenkingsdag van oorlog, slachtoffers en verzet in Nederland - The May 4 myth, commemoration day of war, victims and resistance in the Netherlands

Bevrijdingsfeest: Nederland danst van vreugde en plezier
… 
behalve de Joden

De 4 mei-mythe, herdenkingsdag van oorlog, slachtoffers en verzet in Nederland

Afgelopen week was het weer vier mei, herdenkingsdag van oorlog, slachtoffers en verzet. Remco Campert, zoon van een vermoorde verzetsstrijder, dichtte ooit: 

Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden / zoals storm met zacht geritsel in de tuin / of de kat die de kolder in zijn kop krijgt.

Kleine daden, maar kolder in kop – een goede samenvatting van het Nederland waarvan vaak wordt gedacht dat iedereen er in WO2 in het verzet zat. Maar dat is een misleidende mythe. Geen land waar de bevolking zo de blik afwendde terwijl honderdduizend buren vermoord werden – driekwart van het aantal Joden van vóór die oorlog. Percentueel bijna twee keer zoveel slachtoffers als in landen als Frankrijk en België. Sterker nog, zelfs in Hitler-Duitsland, waar een kwart de dood vond, hadden Joden een aanzienlijk grotere kans om te overleven dan in het zo dappere Nederland. Het blijft een eeuwig discussiepunt: waarom werden, in vergelijking met andere landen, hier zo enorm veel Joden afgevoerd en vermoord?

Polder
Vaak wordt dan verwezen naar onze volksaard. Verzet zit niet in de Nederlandse genen, zegt men dan. Hollanders zijn calvinistisch, gezagsgetrouw, wie er ook aan de macht is. ‘Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want dat is door God ingesteld’, zoals het vaak dodelijk gebleken begin van de Bijbelse Paulusbrief luidt. Maar datzelfde volk, dat dus onder vijf jaar nazi’s niet uitblonk, vocht wel tachtig jaar tegen de Spanjaarden en achttien jaar tegen de Franse bezetters. Blijkbaar heeft God niet altijd gelijk bij het instellen van zijn gezag.

Voor dat afwezige verzet worden steevast een aantal klassieke verklaringen aangevoerd. Externe factoren die niet te veranderen zouden zijn. Zoals de bekende dooddoener: ‘Verzet was hier moeizaam in een polderland zonder bergen of bossen om in weg te duiken. Frankrijk heeft bossen, België heeft de Ardennen, maar vanuit de Utrechtse Heuvelrug is geen guerrilla te beginnen’ Maar tegelijkertijd, en dat strookt dus niet, bracht Nederland een recordaantal onderduikers, zo’n 300.000, onder in dat bescheiden bos bij die anderhalve heuvel. Dat kan het probleem niet zijn. En het godvrezend calvinisme evenmin: een ‘zwaar’ dorp als Aalten verborg 2.500 onderduikers op een bevolking van krap 13.000 inwoners.

Overigens ook een populaire mythe: dat vooral protestanten op het platteland die onderduikers onderbrachten. Dat romantische beeld van de Jood in de gereformeerde hooiberg klopt niet. Zo zaten er in het katholieke zuiden verhoudingsgewijs minstens evenveel onderduikers dan elders, en in het algemeen namen papen en protestanten vrijwel evenveel burgers in bescherming. Wél van invloed was de omgeving, het netwerk: in protestants Holland was de meest veilige onderduikplek vaak katholiek en in beneden de rivieren juist protestants. In een toch al geïsoleerde religieuze minderheidsgroep is de sociale controle immers groter, en dus ook de bescherming. In Maastricht, Heerlen en ‘s-Hertogenbosch waren protestanten op elkaar aangewezen. Die gaven elkaar niet aan. Hetzelfde gold voor katholieken in, pak hem beet, Kampen.

Kaartenbak
De derde populaire verklaring voor de Nederlandse onmacht is het aanblijven van het civiel gezag. Hier bleef het ambtenarenapparaat gewoon, nu ja, volledig door pro-nazi’s gecontroleerd, doorwerken. Terwijl in België en bezet Frankrijk het bestuur in handen was van Duitse militairen, die het te druk hadden met oorlog voeren om zich te bekommeren om die anderhalve Jood in de hooiberg, hadden in ons land welgeteld 1.596 bij de vervolging betrokken ambtenaren alle tijd om die Joden af te voeren. De Duitsers hoefden enkel tevreden toe te kijken. Maar ook die verklaring voldoet niet. Want in een vergelijkbare situatie, het ‘modelprotectoraat’ Denemarken met eveneens een civiel bestuur, ontsnapten vrijwel alle Joden aan vervolging. Daar bleek dat burgerlijk bestuur zelfs essentieel bij het saboteren van de Duitsers.

En niet omdat die Deense koning op zijn dagelijkse ritje te paard demonstratief een davidsster droeg – want ook dat is een mythe. Sterker nog, in Denemarken is de Jodenster nimmer ingevoerd. Wél weigerden de Denen, en ook hun koning, consequent onderscheid te maken tussen Joden en andere burgers. Ons koningshuis daarentegen zat in Londen krachtig die vernietiging te negeren, terwijl, hoe handig, die doorwerkende ambtenaren in het bevolkingsregister precies hadden vastgelegd wie Jood was en wie niet.

En dat is vaak de volgende, zo voor de hand liggende verklaring voor het slagen van massamoord: de perfecte bevolkingsregisters. Het argument van meester Pennewip, Multatuli’s bovenmeester die alles wilde classificeren. Dat die kant en klare registers de doorslag gaven bij de Duitse plannen, is deels een mythe. De uitsplitsing van Joden en niet-Joden was in elk geval niet zo perfect, dat niet vanaf 10 januari 1941 de eigen aangifte verplicht werd. Blijkbaar moesten er nog enige gaten in de kaartenbak gedicht.


Ambtenaren
Met een dwangmaatregel en tegen betaling van één gulden zorgden Nederlandse ambtenaren dat de formulieren netjes werden ingevuld en verstuurd naar het lokale bevolkingsregister. Zij dreigden met gevangenisstraffen oplopend tot vijf jaar. Ze wisten, zeiden ze, toch al wie smokkelde, omdat de gegevens al bekend waren en anders wel uit de administratie van de Joodse gemeente gevist konden worden. In werkelijkheid was die eigen Joodse administratie allesbehalve waterdicht. Het bevolkingsregister werd dat gaandeweg wél. De ‘J’ op het stamkaartje, het speciaal op die persoonskaart aanbrengen van een hoekklemmetje, de ‘zwarte ruiter’ waardoor ze snel uit de kaartenbak te vissen waren, en niet te vergeten de onuitwisbare ‘J’ op de die zomer ingevoerde ‘Ausweis’, waren in combinatie redelijk afdoende om de doelgroep in beeld te krijgen.

Voor wie daarom vroeg. Want dát is de kern van de vervolging: De Duitsers pleegden de moord, maar de Nederlanders deden het voorwerk. Onderzoek van de historici Pim Griffioen en Ron Zeller (Vergelijking van Jodenvervolging in Frankrijk, België en Nederland, 1940-1945) en van de Leidse historicus Peter Tammes (Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, nr. 2, 2009) wees uit dat niet zozeer de kaartenbakken de Duitsers de Joodse bevolking ‘in de schoot wierpen’, maar wie bij die kaartenbakken kon komen. Gemeenteambtenaren stribbelden nauwelijks tegen, terwijl ze toch geweten moeten hebben dat registratie allesbehalve goeds voorspelde.

Dat realiseerde een klein aantal Joden, dat geweigerd heeft zichzelf aan te geven, zich blijkbaar ook. Van wie konden ze immers hulp verwachten als de overheid die steun bestrafte? Maar ze waren er wel – naar schatting enige duizenden trotseerden de straffen en lieten zich simpelweg niet registreren, om zo, zoals het nu heet, verder ‘onder de radar’, te leven. Met als gevolg dat ze later ook niet werden aangeschreven om de Davidsster te dragen, en, zolang hun situatie niet ‘gecorrigeerd’ werd aan de hand van bijvoorbeeld de gegevens van de Joodse Gemeenten, er niets aan de hand was. Immers, de Duitsers dachten dat ze klaar waren. Na enkele weken constateerde de bezetter al dat gemeenten en de Rijksinspectie ‘loyal, ja sogar sehr bemüht’ hadden meegewerkt.

Daders
Drie bittere feiten: het ambtelijk enthousiasme was zo groot dat men bijvoorbeeld in Zeeland in zomer 1940 al namenlijsten van Joden aanlegde terwijl er nog lang geen verordening en uitvoervoorschriften waren afgekondigd. Iets later, in de herfst van 1940, moesten alle ambtenaren een ariërverklaring inleveren, op straffe van ontslag. De Joden onder hen werden meteen ontslagen. Daar werd nauwelijks tegen geprotesteerd. Let wel: dat was dus vijf maanden voor de eerste razzia die tot de Februaristaking leidde, waar nu iedereen zo trots op is. En pas in april 1944 werden door een bombardement van de Royal Air Force het Haagse gebouw Kleykamp, waar de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters zetelde, de meeste originele aanmeldingsformulieren waarop vanaf februari 1941 personen zich als ‘vol’-, ‘half’-, of ‘kwart’-Joods hadden aangemeld, vernietigd. Zoveel prioriteit had dat blijkbaar.

Tot zover de verklarende ‘externe’ factoren. Wie wil verklaren waarom hier zoveel slachtoffers waren, moet kijken naar de menselijke factor: wie waren die Joden en door wie werden ze vervolgd? Dat klinkt obligaat, maar, om met het eerste te beginnen: in België en Frankrijk waren de Joden veelal immigranten uit Oost-Europa en vluchtelingen uit Duitsland. In België gold dat voor meer dan negentig procent, in Frankrijk zo’n vijftig procent. Die wisten wat ze te wachten stond. Als men de Nederlandse Joden al iets verwijten kan, is dat hun naïveteit. Hier zou dat allemaal zo’n vaart niet lopen. De Oost-Europanen daarentegen wisten dat hun ‘achterblijvers’ kansloos waren, ondanks de rammelende registratie en saboterende overheid daar.

Mensenwerk
Hier werd de Joodsche Raad gaandeweg verlengstuk van de bezetter. Terwijl de ‘eigen’ Joodse organisaties in België en Frankrijk nog wel wat onderhandelingsruimte hadden, werd de Joodsche Raad geheel ondergeschikt aan de bevelen van de Duitse politie in Amsterdam. En die had hier volledige zeggenschap over de deportaties, zelfs om het Duitse bestuur en de Nederlandse ambtenaren heen. In Frankrijk organiseerde de overheid die deportaties, wat nog de mogelijkheid schiep die te vertragen of saboteren. In Nederland was dat niet mogelijk.

Niet dat het beeld beter was geweest als de Nederlandse politie een en ander had georganiseerd: die was veel en veel ‘fouter’ of minstens meewerkender dan waar ook elders. Zo’n tien procent was écht pro-nazi, maar zo’n driekwart keek de andere kant op.
En sloot zich daarmee perfect aan bij de rest van Nederland. De Februaristaking, vaak trots opgevoerd, was een uitzondering waarvan de Duitsers even schrokken, om daarna hoogstens iets voorzichtiger en verborgener de vervolging voort te zetten. Maar het verzet was verder te verwaarlozen. Terwijl op 5 juli 1942 de eerste Joden werden opgeroepen zich te melden voor ‘werkverruiming in Duitsland’ ontstonden georganiseerd verzet en onderduiknetwerken pas een jaar later, ná de grote stakingen van april en mei 1943, toen ‘Nederlandse’ mannen werden opgeroepen voor de Arbeidsdienst. Vrijwel alle Joden waren toen al weg.

Kolder
Blijkbaar kwam men zijn bed niet uit voor de Joodse buren. Tenzij er wat te verdienen viel: van de ruim 28.000 Joodse onderduikers in Nederland werden er ongeveer twaalfduizend alsnog verraden en afgevoerd. Ruim 42 procent dus – dat, nog meer dan die ruim honderdduizend doden, is een verbijsterend cijfer.

En daar eindigt dan ook de mythe van Nederland waar iedereen in het verzet zat. Je moest inderdaad, om met Campert te spreken, wel net als de kat de kolder in je kop hebben om in verzet te komen tegen zoveel georganiseerde collaboratie, verraad en tegenwerking. Ischa Meijer z.l. stelde ooit: ‘het handjevol dat zich hoe dan ook verweerde tegen de bezetter, bestond voor het overgrote deel uit halfgare avonturiers, die onder andere omstandigheden gewis in het gevang of gesticht zouden zijn beland’. Dat leverde hem een proces op van zo ongeveer élke Voormalig Verzet-organisatie. Meijer: ‘Ze hebben het nu drukker dan toen’. Maar hij had wél gelijk.

door Paul Damen

Paul Damen (Den Bosch, 1954) is schrijver en journalist. Na zijn gymnasium en diensttijd in de krijgsmacht studeerde hij politicologie, sociale geschiedenis en massacommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Ook was hij redacteur van het universiteitsblad Folia Civitatis. Als freelancer droeg hij vervolgens bij aan (dag-)bladen zoals Panorama, Intermediair, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer. de Haagse Post en HP/deTijd. Daarna was hij geruime tijd redacteur en politiekverslaggever bij de regionale tv-zender AT5. Als journalist voor het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) werd hij daar exact een jaar lang hoofdredacteur van. De laatste jaren maakt hij voornamelijk radioprogramma’s voor de Joodse Omroep. Hij schreef diverse boeken, waaronder een essaybundel over de jaren zestig en een kleine biografie van Renate Rubinstein.



****************************
ENGLISH:

Liberation celebration: The Netherlands dances for joy and pleasure
... except for the Jews

The 4 May myth, commemoration of war, victims and resistance in the Netherlands


This week it is the fourth of May again, commemoration day of war, victims and resistance. Remco Campert, son of a murdered resistance fighter, once wrote poetry

"Resistance does not begin with big words / but with small deeds / like storm with soft rustling in the garden / or the cat that gets crazy in its head.

Small deeds, but madness in the head - a good summary of the Netherlands where it is often thought that everyone was in the resistance in WW2. But that is a misleading myth. No country where the population so averted its gaze while a hundred thousand neighbors were murdered - three quarters of the number of Jews before that war. Percentage-wise almost twice as many victims as in countries like France and Belgium. Indeed, even in Hitler Germany, where a quarter died, Jews had a significantly greater chance of survival than in the so brave Netherlands. It remains an eternal point of discussion: why, compared to other countries, were so many Jews deported and murdered here?

Polder
People often refer to our national character. Resistance is not in the Dutch genes, they say. The Dutch are Calvinistic and law-abiding, no matter who is in power. Everyone must acknowledge the authority of the government, because it has been established by God,' as the often deadly beginning of the biblical Pauline letter reads. Yet that same people, who thus failed to excel under five years of Nazi rule, did fight the Spanish for eighty years and the French occupiers for eighteen years. Apparently, God is not always right in establishing his authority.

A number of classic explanations are invariably put forward for that absent resistance. External factors that could not be changed. Such as the well-known death sentence: "Resistance was difficult here in a polder landscape without mountains or forests to hide in. France has forests, Belgium has the Ardennes, but you can't start a guerrilla war from the Utrechtse Heuvelrug.' But at the same time, and this is not consistent, the Netherlands hid a record number of people, some 300,000, in that modest forest near that one and a half hills. That can't be the problem. And neither can God-fearing Calvinism: a 'heavy' village like Aalten hid 2,500 people in hiding out of a population of barely 13,000.

Incidentally, this is also a popular myth: that it was mainly Protestants in the countryside who hid those in hiding. That romantic image of the Jew in the reformed haystack is not correct. Proportionally speaking, there were at least as many people in hiding in the Catholic south as elsewhere, and in general Papists and Protestants took in almost as many civilians. The environment, the network, did have an influence: in Protestant Holland the safest hiding place was often a Catholic one and in the lower reaches of the country it was Protestant. After all, social control is greater in an already isolated religious minority group, and so is protection. In Maastricht, Heerlen and 's-Hertogenbosch Protestants had to rely on each other. They did not report each other. The same applied to Catholics in, say, Kampen.

Cardboard
The third popular explanation for Dutch impotence is the persistence of civil authority. Here the civil service simply kept on working, well, fully controlled by pro-Nazis. While in Belgium and occupied France the administration was in the hands of German soldiers, who were too busy waging war to care about the one and a half Jews in the haystack, in our country a total of 1,596 civil servants involved in the persecution had all the time in the world to remove those Jews. The Germans only had to look on in satisfaction. But this explanation does not suffice either. Because in a comparable situation, the "model protectorate" Denmark, which also had a civil administration, virtually all the Jews escaped persecution. There the civil administration even proved essential in sabotaging the Germans.

And not because the Danish king wore a Star of David on his daily horseback ride - because that too is a myth. In fact, the Star of David was never introduced in Denmark. However, the Danes, as well as their king, consistently refused to distinguish between Jews and other citizens. Our royal family, on the other hand, sat in London vigorously ignoring that destruction, while, how convenient, those perusing officials had recorded in the population register exactly who was a Jew and who was not.

And this is often the next, so obvious, explanation for the success of mass murder: the perfect population registers. The argument of Master Pennewip, Multatuli's headmaster who wanted to classify everything. That those ready-made registers were the deciding factor in the German plans is partly a myth. In any case, the breakdown of Jews and non-Jews was not so perfect that self-deportation became compulsory as of 10 January 1941. Apparently there were still some gaps to be filled in the card index.

Officials
By means of a coercive measure and on payment of one guilder, Dutch civil servants ensured that the forms were filled out properly and sent to the local population register. They threatened with prison sentences of up to five years. They said they knew who was smuggling anyway, because the data was already known and could otherwise be retrieved from the administration of the Jewish community. In reality, the Jewish administration was anything but watertight. The population register gradually became watertight. The 'J' on the identity card, the special corner clamp on the card, the 'black rider' which made it easy to fish them out of the card index, and not forgetting the indelible 'J' on the 'Ausweis' which was introduced that summer, were in combination quite sufficient to identify the target group.

For those who asked. Because that is the essence of the persecution: the Germans committed the murder, but the Dutch did the preliminary work. Research by the historians Pim Griffioen and Ron Zeller (Comparison of the persecution of the Jews in France, Belgium and the Netherlands, 1940-1945) and by the Leiden historian Peter Tammes (Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, no. 2, 2009) has shown that it was not so much the card indexes that the Germans "threw" at the Jewish population, but the people who had access to the card indexes. Municipal officials hardly resisted, although they must have known that registration was a bad omen.

A small number of Jews, who refused to report themselves, apparently realized this as well. After all, from whom could they expect help if the government sanctioned it? But they were there - an estimated several thousand braved the punishments and simply did not register, so as to continue living, as it is now called, "under the radar,". As a result, they were not later written up to wear the Star of David either, and, as long as their situation was not 'corrected' using, for example, the records of the Jewish Congregations, nothing was wrong. After all, the Germans thought they were done. After only a few weeks, the occupying forces noted that the municipalities and the National Inspectorate had cooperated 'loyally, ja sogar sehr bemüht'.

Perpetrators
Three bitter facts: the enthusiasm of the officials was so great that in the summer of 1940, for example, lists of the names of Jews were already being compiled in Zeeland, even though the ordinance and export regulations had not yet been promulgated. A little later, in the fall of 1940, all civil servants had to hand in their Aryan declarations, on pain of being fired. The Jews among them were fired immediately. There was hardly any protest against this. Note: that was five months before the first raid that led to the February Strike, of which everyone is now so proud. And only in April 1944, a bombing by the Royal Air Force of the Kleykamp building in The Hague, where the Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters was based, destroyed most of the original registration forms on which from February 1941 people had registered as 'full'-, 'half'-, or 'quarter'-Jewish. That was apparently how much of a priority it was.

So much for the explanatory "external" factors. Anyone who wants to explain why there were so many victims here must look at the human factor: who were these Jews and by whom were they persecuted? This sounds obligatory, but, to start with the first: in Belgium and France, the Jews were mostly immigrants from Eastern Europe and refugees from Germany. In Belgium this applied to more than ninety percent, in France about fifty percent. They knew what to expect. If the Dutch Jews can be blamed for anything at all, it is their naiveté. Here, things would not have gone so far. The Eastern Europeans, on the other hand, knew that their 'stragglers' had no chance, despite the faltering registration and sabotaging government there.

People's work
Here the Jewish Council gradually became an extension of the occupying forces. While the 'own' Jewish organizations in Belgium and France still had some room to negotiate, the Jewish Council became completely subordinate to the orders of the German police in Amsterdam. And here the police had complete control over the deportations, even around the German administration and the Dutch officials. In France, the government organized these deportations, which still created the possibility of delaying or sabotaging them. In the Netherlands that was not possible.

Not that the picture would have been better if the Dutch police had organized the whole thing: they were much, much 'wrong' or at least more cooperative than anywhere else. About ten percent were genuinely pro-Nazi, but about three-quarters looked the other way.
And thus joined the rest of the Netherlands perfectly. The February Strike, often proudly celebrated, was an exception that shocked the Germans for a moment, only to continue the persecution in a more cautious and hidden manner. But the resistance was otherwise negligible. While the first Jews were summoned on July 5, 1942 to report for "work release in Germany," organized resistance and hiding networks did not emerge until a year later, after the great strikes of April and May 1943, when "Dutch" men were called up for the Labor Service. Almost all the Jews had left by then.

Insanity
Apparently, people did not get out of bed for their Jewish neighbors. Unless there was something to be gained: of the more than 28,000 Jewish people in hiding in the Netherlands, about twelve thousand were betrayed and taken away. That's more than 42 percent - even more than the more than 100,000 people who died - is a staggering figure.

And there ends the myth of the Netherlands where everyone was in the resistance. Indeed, to quote Campert, you had to be as mad as a cat to resist so much organized collaboration, betrayal and opposition. Ischa Meijer z.l. once stated: 'the handful that defended themselves against the occupier anyway, consisted for the most part of half-baked adventurers, who under other circumstances would certainly have ended up in jail or in an institution'. This resulted in a lawsuit from just about every former resistance organization. They are busier now than they were then,' says Meijer. But he was right.

by Paul Damen

Paul Damen (Den Bosch, 1954) is a writer and journalist. After his gymnasium and service in the armed forces he studied political science, social history and mass communication at the University of Amsterdam. He was also editor of the university magazine Folia Civitatis. As a freelancer he then contributed to (daily) newspapers such as Panorama, Intermediair, de Volkskrant, de Groene Amsterdammer. de Haagse Post and HP/deTijd. After that he was an editor and political reporter for the regional TV station AT5 for quite some time. As a journalist for the Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW), he became its editor-in-chief for exactly one year. In recent years he has been making mainly radio programs for the Jewish Broadcasting Corporation. He has written several books, including a collection of essays on the 1960s and a short biography of Renate Rubinstein.