Created by: Simon Soesan

Simon Soesan 2020-09-10: ‘Hij heeft weer gelijk’ – Een nieuwe (persoonlijke) column van Simon Soesan - "He's right again" - A new (personal) column by Simon Soesan

Jaap en Betty Soesan B”DE

Nederlands -English

NEDERLANDS:

Wanneer u dit leest is het bijna 11 september. Natuurlijk denken de meeste mensen dan aan 11 september 2001, toen vertegenwoordigers van de religie van vrede een paar vliegtuigen in het WTC van New York vlogen, maar dat is wat anders.

Door Simon Soesan -

11 september 1923 werd mijn vader geboren. Hij had geen makkelijke jeugd, maar leerde al vroeg op de Joodse club Mogein Dovid mijn moeder, Betty Caun, kennen. Toen de oorlog uitbrak en het snel duidelijk werd dat Joden vogelvrij werden verklaard, besloten de families te gaan onderduiken. Mijn ouders moesten wel eerst trouwen – een jong paar kon niet onderduiken zonder getrouwd te zijn. Mijn ouders kwamen terecht bij de familie Snellen in Sevenum – veel heb ik hier al over geschreven: over een uitzonderlijke Nederlandse familie, die iets deed waar het overgrote deel van de bevolking geen benul van had: je medemens redden.

Toen mijn ouders in 1945 terug naar Amsterdam kwamen, wisten hun buren niet wat er met het huisraad van de familie gebeurd was. Zelfs het wijzen van mijn moeder op het dressoir en de meubels van haar ouders, die in de voorkamer van de buren stonden, hielp niet. Het enige wat ze hoorden van hun vroegere buren was “zo, leef je nog”? Het was een gênant onderwerp, wat Duitsland met de ijverige hulp van de Nederlandse bevolking de Joden had aangedaan. Thuis werd er weinig over gesproken. “Die zijn niet teruggekomen”, zeiden mijn ouders als ze het over de afgeslachte familieleden hadden. Uit hun gezamenlijke families werden 337 mannen, vrouwen en kinderen vermoord.

Mijn ouders hadden geen keuzes. Er was geen “vluchtelingenstatus”, die je van ouder op kind kan doorgeven, zodat ook na meer dan 70 jaar je op je kont kunt zitten, niks kunt doen en geld kunt vangen. Dat is bedoeld voor vluchtelingen uit een land dat nooit bestond, niet voor de overlevenden van de Duitse slachtmachine.

Ze openden een winkel in Beverwijk, House of Lords, een modezaak. En terwijl ze ook nog 5 kinderen kregen, kwamen er meer winkels onder de naam Soesan. Pa was een duizendpoot, leerde zichzelf alles en Ma was zijn partner in de zaken. Als ik mijn ouders qua werk moet beschrijven, is het makkelijk te zeggen dat ze er nooit waren. In feite werkten ze heel hard en gaven ons, de vijf kinderen, een zorgeloze jeugd. Pa werd voorzitter van de Kamer van Koophandel en opeens was er de eerste boetiek in Europa, 1965, die Shop a Gogo heette. 

Maar Pa bloeide pas toen hij zijn zaken verkocht en zich ging inspannen voor de Joodse bevolking in Nederland: hij had een vinger in de oprichting van het JMW, het Joods Maatschappelijk Werk, een organisatie die hulp geeft aan wie hulp nodig heeft. Hij creëerde een kleine synagoge in het Amstelland Ziekenhuis in Amstelveen. Hij kwam op de bres voor de gestolen Joodse eigendommen, sprak met ministers, zette commissies op en bleef onvermoeibaar opkomen voor wat hij het “het ongelijk van de Nederlandse Joden” noemde.

Pa was een spreker. Als Brugmans kon hij dat. Wij kinderen, en later de kleinkinderen, grinnikten vaak dat je met Pa geen dialoog kon hebben, omdat het altijd een monoloog werd: hij moest zijn standpunten naar voren brengen, hoe dan ook. Maar Pa kon ook luisteren. Samen met Ma waren ze getuigen van de geboortes van 13 kleinkinderen en zag hij 27 achterkleinkinderen – tot het eind van dit jaar zijn dat er alweer 29. Pa wist alle namen, belde voor de verjaardagen, volgde het nieuws en ja, had een mening en die mening moest iedereen horen. 

Na een 70-jarig huwelijk verloren we Ma. Ze had de laatste jaren van haar leven “veel in de lappenmand doorgebracht”, zoals Pa het vaak beschreef en hij stond erop om haar zelf te verzorgen, hoewel ze beiden toen al tegen de negentig aan hikten. Pa was alleen in een zee van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen en weigerde zijn “flatje” te verlaten. Dapper vertelde hij een ieder dat hij het allemaal wel alleen aan kon, maar de waarheid was dat hij dat zonder de intense hulp van mijn twee zussen en mijn zwagers, die in de buurt woonden en letterlijk alles voor hem deden en verzorgden, dat nooit had kunnen doen.

Pa bleef flink en actief, maar de eenzaamheid sprak boekdelen: elk gesprek met hem – na de analyses van de internationale politiek – kwam terug op Ma en hoezeer hij haar miste. Ongeveer een jaar geleden viel Pa en brak zijn heup. Een operatie hielp hem letterlijk op de been, hij was overtuigd dat hij weer helemaal de oude zou worden en eiste, na de rehabilitatie, dat hij weer gewoon naar zijn “flatje” ging.

De inspanningen van het verzorgen werden bij mijn zussen op maximum gedraaid, maar het was al snel duidelijk: Pa kon de klap niet bovenkomen. Opeens was hij in een prachtkamer in het Joodse hospice Emmanuel, waar men alles deed om het hem zo aangenaam mogelijk te maken. Ikzelf nam halsoverkop een vlucht uit Tel Aviv en mocht zijn laatste nacht op aarde met hem delen.

Het is nu 8 maanden later en bijna 11 september. Ik kijk naar de telefoon op mijn bureau, want elke maandag en donderdagochtend belde ik hem op. Nog steeds is dat instinct daar: Pa bellen. In het begin een raar gevoel, maar nu meer een gevoel van “wat fijn, ik denk weer even aan je”.

Als kind doe je alles om anders te zijn dan je ouders. Wat weten die nou? De wereld begon na hun, toch? Jarenlang ontdekte ik eigenschappen bij mezelf, die me aan mijn vader deden denken en dat wilde ik helemaal niet. Nu is Pa er niet meer.

Onlangs was ik voor een tv-interview in Hilversum. De interviewer kende mijn vader erg goed en had hem vele malen gesproken. Toen het interview voorbij was en we een kop koffie dronken, zei hij dat er zoveel dingen bij mij waren waar hij mijn vader in herkende. Een groter compliment heb ik nog nooit gehad.

En ik vermoed dat ergens, van boven, mijn vader glimlachte en zei: “Zie je nou wel, eigenwijs, ik zei het je toch!”

Ik mis je, Pa.


Bron: Joost.nl



********************************
ENGLISH:

Jaap and Betty Soesan B”DE

When you read this it is almost September 11th. Of course most people think of September 11, 2001, when representatives of the religion of peace flew a few planes into New York's WTC, but that's different.

By Simon Soesan - September 7, 2020

September 11, 1923 my father was born. He did not have an easy childhood, but he met my mother, Betty Caun, at an early age at the Jewish club Mogein Dovid. When war broke out and it soon became clear that Jews were outlawed, the families decided to go into hiding. My parents had to get married first - a young couple couldn't go into hiding without being married. My parents ended up with the Snellen family in Sevenum - I have already written a lot about this: about an exceptional Dutch family, which did something that the vast majority of the population had no idea of: saving your fellow man.

When my parents returned to Amsterdam in 1945, their neighbors did not know what had happened to the family's household effects. Even pointing my mother to her parents' dresser and furniture, which were in the neighbor's front room, didn't help. All they heard from their former neighbors was "so, are you alive"? It was an embarrassing subject, what Germany, with the diligent help of the Dutch population, had done to the Jews. Little was said about it at home. “They didn't come back,” my parents said when talking about the butchered relatives. 337 men, women and children from their joint families were murdered.

My parents had no choices. There was no “refugee status”, which you can pass from parent to child, so that even after more than 70 years you can sit on your butt, do nothing and catch money. It's meant for refugees from a country that never existed, not for the survivors of the German slaughter machine.

They opened a shop in Beverwijk, House of Lords, a fashion store. And while they also had 5 children, more shops came under the name Soesan. Dad was a centipede, taught himself everything and Ma was his partner in the business. When I have to describe my parents in terms of work, it is easy to say that they were never there. In fact, they worked very hard and gave us, the five children, a carefree childhood. Pa became president of the Chamber of Commerce and suddenly there was the first boutique in Europe, 1965, which was called Shop a Gogo.

But Pa only flourished when he sold his business and started working for the Jewish population in the Netherlands: he had a finger in the establishment of the JMW, the Jewish Social Work, an organization that provides help to those who need help. He created a small synagogue in the Amstelland Hospital in Amstelveen. He stood up for the stolen Jewish property, spoke to ministers, set up committees and continued to stand up tirelessly for what he called "the wrong of the Dutch Jews."

Dad was a speaker. As Brugmans, he could. We children, and later the grandchildren, often chuckled that you couldn't have a dialogue with Pa, because it always turned out to be a monologue: he had to put forward his views, anyway. But Dad could also listen. Together with Ma they witnessed the births of 13 grandchildren and he saw 27 great-grandchildren - until the end of this year there will be 29 again. Dad knew all the names, called for the birthdays, followed the news and yes, had an opinion and everyone had to hear that opinion.

After 70 years of marriage, we lost Ma. She had spent the last years of her life “spent a lot in the rag basket,” as Pa often described it, and he insisted on taking care of her himself, although they were both hiccups by then. Pa was alone in a sea of children, grandchildren and great-grandchildren and refused to leave his “apartment”. He bravely told everyone that he could handle it all on his own, but the truth was that without the intense help of my two sisters and my brothers-in-law, who lived nearby and literally did everything for him and cared for him, he never could. can do.

Pa remained vigorous and active, but the loneliness spoke volumes: every conversation with him - after the analyzes of international politics - returned to Ma and how much he missed her. About a year ago Dad fell and broke his hip. An operation literally helped him on his feet, he was convinced that he would be completely back to normal and demanded, after the rehabilitation, that he just go back to his “apartment”.

The efforts of taking care of my sisters were turned to maximum, but it soon became clear: Dad could not survive the blow. Suddenly he was in a beautiful room in the Jewish hospice Emmanuel, where everything was done to make it as pleasant as possible for him. I myself took a headlong flight from Tel Aviv and was allowed to share his last night on earth with him.

It is now 8 months later and almost September 11th. I look at the phone on my desk because I called him every Monday and Thursday morning. That instinct is still there: Call Dad. In the beginning a strange feeling, but now more of a feeling of “how nice, I think about you again”.

As a child you do everything to be different from your parents. What do they know? The world started after them, right? For years I discovered qualities in myself that reminded me of my father and I didn't want that at all. Now Dad is gone.

Recently I was in Hilversum for a TV interview. The interviewer knew my father very well and had spoken to him many times. When the interview was over and we had a cup of coffee, he said there were so many things with me that he recognized my father in. I've never had a bigger compliment.

And I suspect that somewhere, from above, my father smiled and said, "You see, cocky, I told you so!"

I miss you, Dad.

Source: Joods.nl


google translate

237 views