10 maart 2020

2020-03-10-13.00: ‘Het is aan Nederlandse bedrijven zelf welke activiteiten zij ontplooien’ - "It is up to Dutch companies which activities they develop"

Nederlands - English

NEDERLANDS:

Het is aan Nederlandse bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien. Dat schrijven ministers Blok en Kaag in antwoord op Kamervragen over de publicatie van een VN-zwarte lijst van bedrijven die zaken doen in Israëlische nederzettingen.

Bron CIDI

In februari heeft het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) de langverwachte zwarte lijst gepubliceerd van bedrijven die zaken doen met Joodse nederzettingen op de Westoever. De lijst, opgesteld in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad, noemt 112 bedrijven, waarvan vier Nederlandse. SP, PvdA, DENK, SGP, CU en PVV dienden naar aanleiding hiervan verschillende vragensets in bij minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok en minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag.

De ministers herhalen in hun beantwoording dat het Kabinet geen voorstander is van de database. Blok en Kaag wijzen op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse bedrijven zelf: het is aan de bedrijven “om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken en hierover onder eigen verantwoordelijkheid tot afgewogen besluiten te komen waarover zij bereid zijn publiekelijk verantwoording af te leggen”. 

Wel hanteert de regering een ontmoedigingsbeleid. Nederlandse bedrijven worden ontmoedigd “economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen in bezet gebied” aan te gaan. “Bedrijfsactiviteiten die bijdragen aan het ontwikkelen of bestendigen van dergelijke nederzettingen in bezet gebied, beschouwt het kabinet dan ook als onwenselijk”, aldus ministers Blok en Kaag.

‘Geen positieve bijdrage’

SGP, CU en PVV vroegen aandacht voor de economische bijdrage van bedrijven in de Palestijnse gebieden. Volgens de partijen leveren deze bedrijven “economische vooruitgang, werkgelegenheid, en waardevolle intermenselijke contacten”. Ze verdienen daarom alle steun, aldus SGP, CU en PVV. Ministers Blok en Kaag gaan hier echter niet in mee. Volgens de ministers zijn de nederzettingen een “obstakel voor vrede”. Ze halen een onderzoek van de Wereldbank in 2017 aan waarin naar voren komt dat “opheffen van Israëlische restricties op de Westelijke Jordaanoever voor een economische groei van ongeveer 33% kan zorgen in 2025”. Hierop concluderen Blok en Kaag dat nederzettingen en bedrijven niet een positieve bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling of verzoening. Hierbij zetten zij overigens niet uiteen hoe bedrijven verantwoordelijk zouden zijn voor de door hen genoemde restricties.

Het ontmoedigingsbeleid moet echter niet verward worden met een boycotbeleid. De bewindspersonen op het ministerie van Buitenlandse Zaken wijzen op de “eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid” van Nederlandse bedrijven. Oproepen tot het aanspreken van de genoemde Nederlandse bedrijven in de database of hen zelfs verbieden zaken te doen in nederzettingen, gaan ministers Blok en Kaag dan ook niet doen. De ministers wijzen erop dat Nederland geen voorstander is van de zwarte lijst.

‘Buitenproportionele aandacht voor Israël bij VN-fora’

In hun beantwoording herhalen Blok en Kaag dat de Nederlandse regering zich inzet tegen de disproportionele agendering van Israël bij de VN. De ministers noemen het “onverkwikkelijk dat binnen de VN het aantal resoluties over Israël aanzienlijk hoger is dan over landen als Saudi-Arabië, Iran, Syrië of Venezuela”. Het kabinet is dan ook “van mening dat Israël buitenproportionele aandacht krijgt in VN-fora”, aldus de bewindspersonen op Buitenlandse Zaken. In een recente toespraak bij de Raad hekelde minister Blok de anti-Israël obsessie van het internationale orgaan.

Desondanks stapt Nederland niet uit de VN-Mensenrechtenraad. Blok en Kaag noemen de Raad een “belangrijk forum voor dialoog” en een “instrument om mensenrechten te beschermen en druk uit te oefenen op regeringen en andere spelers om internationale verplichtingen na te leven”. Volgens de ministers “blijkt reeds hieruit dat regeringen zich tot het uiterste inspannen om zich aan de aandacht van de Raad te onttrekken”. De bewindspersonen op Buitenlandse Zaken noemen de Mensenrechtenraad een “waardevol instrument” voor het beschermen van de rechten van de mens wereldwijd, die waar mogelijk moet worden versterkt en hervormd. “Het uittreden is geen bijdrage aan de bescherming van de rechten van de mens en kan schade doen aan het systeem”, aldus de ministers.


*************************************
ENGLISH:

It is up to Dutch companies to determine which activities they undertake. Ministers Blok and Kaag write this in response to parliamentary questions about the publication of a UN black list of companies that do business in Israeli settlements.

Source CIDI

In February, the Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR) published the long-awaited blacklist of companies that deal with Jewish settlements in the West Bank. The list, commissioned by the UN Human Rights Council, lists 112 companies, four of which are Dutch. As a result, SP, PvdA, DENK, SGP, CU and PVV submitted various sets of questions to Minister of Foreign Affairs Stef Blok and Minister for Foreign Trade and Development Cooperation Sigrid Kaag.

In their answer, the ministers reiterate that the Cabinet is not in favor of the database. Blok and Kaag point to the responsibility of the Dutch companies themselves: it is up to the companies “to determine which activities they undertake and with which partners they cooperate and to make informed decisions about this on which they are willing to give public accountability. ".

The government does, however, have a discouragement policy. Dutch companies are discouraged from entering into "economic relations with companies in Israeli settlements in occupied territory". "The Cabinet therefore considers business activities that contribute to the development or perpetuation of such settlements in occupied territories to be undesirable," said Ministers Blok and Kaag.

"No positive contribution"

SGP, CU and PVV called attention to the economic contribution of companies in the Palestinian territories. According to the parties, these companies provide "economic progress, employment, and valuable people-to-people contacts." They therefore deserve all support, according to SGP, CU and PVV. However, Ministers Blok and Kaag do not agree with this. According to the ministers, the settlements are an "obstacle to peace". They cite a study by the World Bank in 2017 that shows that "lifting Israeli restrictions in the West Bank can lead to an economic growth of around 33% in 2025". Blok and Kaag conclude that settlements and companies do not make a positive contribution to economic development or reconciliation. Moreover, they do not explain how companies would be responsible for the restrictions they mentioned.

However, the discouragement policy should not be confused with a boycott policy. The ministers at the Ministry of Foreign Affairs point to the "own social responsibility" of Dutch companies. Ministers Blok and Kaag will therefore not call for appeals to the said Dutch companies in the database or even prohibit them from doing business in settlements. The ministers point out that the Netherlands is not in favor of the blacklist.

"Disproportionate attention to Israel in UN forums"

In their answer, Blok and Kaag reiterate that the Dutch government is fighting against the disproportionate agenda of Israel at the UN. The ministers call it "unfortunate that within the UN the number of resolutions on Israel is considerably higher than on countries such as Saudi Arabia, Iran, Syria or Venezuela". The government is therefore "of the opinion that Israel is getting disproportionate attention in UN forums," said Foreign Ministers. In a recent speech to the Council, Minister Blok denounced the anti-Israel obsession of the international body.

Nevertheless, the Netherlands is not leaving the UN Human Rights Council. Blok and Kaag call the Council an "important forum for dialogue" and an "instrument to protect human rights and to put pressure on governments and other players to comply with international obligations". According to the ministers "this already shows that governments are making every effort to get away from the Council's attention." The Ministers for Foreign Affairs call the Human Rights Council a "valuable instrument" for protecting human rights worldwide, which should be strengthened and reformed wherever possible. "The retirement is not a contribution to the protection of human rights and can damage the system," said the ministers.

google translate