24 december 2020

2020-12-24: Hooggerechtshof buigt zich over Natiestaatwet - Supreme Court examines Nation State Law

Nederlands - English

NEDERLANDS:

Het Israelische Hooggerechtshof behandelde dinsdag met een team van elf rechters bezwaren van 15 verschillende groepen tegen de Basiswet op de (Joodse) Natiestaat, ofwel de Natiestaatwet. De uitspraak zal nog even op zich laten wachten.

Door CIDI

De wet uit juli 2018 was vanaf het begin al controversieel, en kreeg veel kritiek vanuit binnen- en buitenland. Vijftien verschillende groepen wendden zich tot het Hooggerechtshof met uiteenlopende bezwaren tegen de wet. Gisteren werden ze gehoord, tijdens een daglange zitting die live werd uitgezonden. Het gaf een zeldzaam inzicht in een constitutionele discussie die al jaren speelt in Israel. In essentie gaat het om vragen die relevant zijn voor elke democratie.

Wat mag de rechter wel of niet?

Hoewel de eisers ook inhoudelijke bezwaren tegen de wet aanvoerden, ging de discussie vooral over de vraag of het Hooggerechtshof bevoegd is om een Basiswet terug te draaien. Wat zijn de bevoegdheden van de rechterlijke macht in relatie tot de wetgevende macht? Esther Hayut, voorzitter van het Hooggerechtshof, stelt dat de rechter maar weinig bevoegdheid heeft om een wet terug te draaien, laat staan een Basiswet. Deze Basiswetten hebben in Israel de status van een informele grondwet. Tegelijkertijd waren meerdere rechters uitgesproken kritisch op de Natiestaatwet. Toen een van de eisers zijn kritiek op een artikel in de Basiswet uitte, zei Hayut “hoewel ik met u eens ben, gaat de rechtbank hier niet over”. Zij voegde eraan toe dat het gerechtshof alleen kan ingrijpen in ‘extreme situaties’. Aan Basiswetten durft het Hooggerechtshof kortom zijn handen nauwelijks te branden.

Alsnog klagen rechtse politici in Israel al jaren over de ‘activistische’ houding van het Hof. Het gaat om de vraag of en hoeverre de rechtbank besluiten van gekozen volksvertegenwoordigers kan ongedaan mag maken. Dit is vergelijkbaar met kritiek in Nederland over de bemoeienis van de Hoge Raad, bijvoorbeeld in de Urgenda-zaak. Voorstanders van rechterlijk ingrijpen spreken van juridische controle. Politici zoals premier Benjamin Netanyahu spreken van een “dictatuur van linkse rechters”, ook wel bekend onder de term dicastocratie.

Status Arabische taal

Concrete kritiek werd geuit op enkele artikelen van deze basiswet. Vertegenwoordigers van de Druzen – een minderheid die naar eigen zeggen ‘zijn lot heeft verbonden met de staat Israel’, en die ‘het streven naar zelfbeschikking in Israel van het Joodse volk volledig en ondubbelzinnig steunt’ – voelden zich gediscrimineerd door deze wet, mede doordat hun eigen taal, Arabisch, niet meer een officiële taal van de staat zou zijn.

Het Hooggerechtshof kon zich hierin niet vinden. Volgens de raadslieden benadrukt de Natiestaatwet dat het Arabisch haar officiële status behoudt, hoewel het Hebreeuws in de wet wordt vastgelegd als dé staatstaal. Tegelijkertijd onderkenden zij dat de facto er wel een groot verschil in status is tussen beide talen: tijdens de zitting was Hebreeuws de voertaal, ook voor raadslieden voor wie Hebreeuws een tweede taal is.

Externe en interne zelfbeschikking

Interessant is het onderscheid dat men maakt tussen externe en interne zelfbeschikking. Gesteld werd dat de minderheden in Israel allemaal recht hebben op interne zelfbeschikking – het behoud en ontwikkeling van de eigen taal, cultuur en gemeenschappelijke instanties, zoals religieuze rechtbanken voor huwelijken, echtscheidingen en andere religieuze handelingen. Volgens rechter Hanan Melcer hebben Joden op basis van het Verdelingsplan van de VN uit 1947 het recht op externe zelfbeschikking in Israel ten opzichte van de rest van de wereld. Op basis hiervan zou de Joodse gemeenschap in Israel een bijzondere status genieten vergeleken met minderheden in het land. Volgens de procureur geeft de Natiestaatwet de Joodse identiteit van de staat een ‘constitutioneel jasje’, maar niet ten koste van de rechten van andere bevolkingsgroepen.

Een ander discussiepunt is Artikel 7 van de Natiestaatwet. Deze stelt dat de staat Joodse huisvesting in het land moet bevorderen. Dit argument werd aangevoerd door de gemeente Karmiel, waar inwoners klaagden dat er geen Arabischtalige school was, en ook geen vervoer naar een Arabischtalige school in de buurt. De gemeente voerde aan dat dit een bewuste en te rechtvaardigen keuze was om het Joodse karakter van de noord-Israelische stad te behouden. Een plaatselijke rechter gaf Karmiel hierin reeds gelijk, en Arabische rechtenorganisatie Adalah ging in hoger beroep.

Gelijkheidsbeginsel

Volgens Adalah is de Natiestaatwet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. “Wij schrijven de Basiswetten niet” reageerde rechter Uzi Vogelman. “Artikel 7 wijkt af van de Onafhankelijkheidsverklaring, en ik begrijp de problemen waarover u spreekt… Gegeven het feit dat wij de wetten niet schrijven, doen we ons best om ervoor te zorgen dat basisprincipes worden nageleefd, gelijkheid bovenal”.

Ook vertegenwoordigers van Joodse organisaties uitten kritiek op de wet, en vrezen dat de Basiswet op Menselijke Waardigheid en Vrijheden door de Natiestaatwet wordt aangetast. Het Hooggerechtshof stelde dat de Basiswet op de Nationale Staat slechts één van de Basiswetten is, en dus hiërarchisch niet ‘boven’ andere Basiswetten staat, ook niet boven het gelijkheidsbeginsel. De Natiestaatwet werd door het Hooggerechtshof ter zitting geïnterpreteerd als een declaratieve wet, dus voornamelijk van symbolische waarde, in tegenstelling tot een operationele wet die uitgevoerd wordt.

De eisers willen dat de Natiestaatwet als geheel wordt verworpen, juist omdat die “niets toevoegt aan het rechtssysteem, en tegelijkertijd minderheden de boodschap geeft niet erbij te horen”. Zij beroepen zich op de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948, die als leidraad wordt gebruikt voor constitutionele vraagstukken, zoals het beschermen van burgerrechten tegen inbreuken door de staat. Deze geniet ook een quasi-grondwettelijke status in Israel.

Grondwettelijk karakter Basiswet

Israel heeft geen geschreven grondwet. Wel heeft Israel zogenaamde ‘Basiswetten’ die tezamen gehanteerd worden als informele grondwet. Het zijn wetten met een bijzondere status, waarvoor een speciale procedure nodig is om aan te nemen of wijzigen. Er is bijvoorbeeld een absolute meerderheid nodig van 61 Knesset-leden om ze aan te nemen of te wijzigen. Ter zitting stelde het Hooggerechtshof dat het ‘geheel van alle Basiswetten tezamen’ een constitutionele status heeft. Dat wil zeggen dat een Basiswet niet op zichzelf staat, maar in verhouding en evenwicht moet staan tegenover de andere Basiswetten, een ‘horizontaal balans’.

Het Hof erkent zijn beperkingen. Volgens voorzitter Hayut luidde de rechtsvraag: Is de Natiestaatwet inderdaad zo slecht dat ingrijpen door het Hooggerechtshof vereist is?

Het Hooggerechtshof zich erg terughoudend op in deze kwestie. Er is nog nooit een Basiswet door het Hooggerechtshof geschrapt, en Knessetvoorzitter Yariv Levin (Likoed) kondigde bij voorbaat aan ieder besluit om dat met de Natiestaatwet als illegitiem te beschouwen en te zullen negeren. Hiermee wordt vastgesteld dat een meerderheid van 61 Knessetleden een wet kan aannemen die boven effectieve rechterlijke controle staat.

Rechterlijke macht politiek polariserend

De status en onafhankelijkheid van de rechter zijn al vele jaren en verkiezingsrondes onderwerp van discussie in Israel, ook bij de komende verkiezingen in maart. Van de potentiële kandidaten voor het premierschap zijn Benjamin Netanyahu (Likoed), Naftali Bennett (Yamina) en Gideon Sa’ar (Nieuwe Hoop) voorstanders van het inperken van de macht van het Hooggerechtshof, terwijl Yair Lapid (Yesh Atid) zich juist heeft uitgesproken voor een sterke, onafhankelijke rechterlijke macht. Een meerderheid van de Knesset zal vermoedelijk te vinden zijn voor enige maatregelen tegen het Hooggerechtshof, vooral als het gaat om de Natiestaatwet.

Veel van de klachten die het Hooggerechtshof dinsdag behandelde, dateren vanaf het aannemen van de wet in 2018. De afhandeling ervan werd voorheen uitgesteld wegens ‘politieke instabiliteit’. Nu het lijkt alsof de politiek op het punt staat om de rechten van het Hof aan banden te leggen, heeft het Hooggerechtshof dit hete hangijzer voor die tijd heel voorzichtig aangepakt



*************************
ENGLISH:

The Israeli Supreme Court on Tuesday, with a team of eleven judges, heard objections from 15 different groups against the Basic Law on the (Jewish) Nation State, or the Nation State Law. The verdict will take a while.

By CIDI

The law of July 2018 was controversial from the start, and received a lot of criticism from the Netherlands and abroad. Fifteen different groups turned to the Supreme Court with varying objections to the law. They were heard yesterday, during a day-long session that was broadcast live. It provided a rare insight into a constitutional debate that has been going on in Israel for years. In essence, these are questions that are relevant to any democracy.

What is the judge allowed or not?

While the plaintiffs also raised substantive objections to the law, the discussion centered on whether the Supreme Court has jurisdiction to reverse a Basic Law. What are the powers of the judiciary in relation to the legislature? Esther Hayut, president of the Supreme Court, argues that the judge has little authority to reverse a law, let alone a Basic law. These Basic Laws have the status of an informal constitution in Israel. At the same time, several judges were outspokenly critical of the Nation State Act. When one of the plaintiffs criticized an article in the Basic Law, Hayut said "although I agree with you, the court is not about this". She added that the court can only intervene in "extreme situations." In short, the Supreme Court hardly dares to burn its hands with Basic Laws.
Right-wing politicians in Israel have been complaining for years about the Court's "activist" stance. The question is whether and to what extent the court can overturn decisions of elected representatives of the people. This is comparable to criticism in the Netherlands about the involvement of the Supreme Court, for example in the Urgenda case. Advocates of judicial intervention speak of legal control. Politicians such as Prime Minister Benjamin Netanyahu speak of a “dictatorship of left-wing judges”, also known as dicastocracy.

Arabic language status

Concrete criticism was voiced against some articles of this Basic Law. Representatives of the Druze - a minority who claim to have 'linked their fate with the State of Israel', and who 'fully and unequivocally support the Jewish people's pursuit of self-determination in Israel' - felt discriminated against by this law, partly because their own language, Arabic, would no longer be an official language of the state.
The Supreme Court did not agree with this. According to counsel, the Nation State Law emphasizes that Arabic retains its official status, although Hebrew is enshrined in law as the state language. At the same time, they recognized that there is de facto a great difference in status between the two languages: Hebrew was the official language during the session, also for counsel for whom Hebrew is a second language.

External and internal self-determination

Interesting is the distinction made between external and internal self-determination. It has been argued that Israel's minorities are all entitled to internal self-determination - the preservation and development of their own language, culture and communal bodies, such as religious courts for marriages, divorces and other religious acts. According to Judge Hanan Melcer, based on the 1947 UN Plan of Partition, Jews have the right to external self-determination in Israel from the rest of the world. On this basis, the Jewish community in Israel would enjoy a special status compared to minorities in the country. According to the attorney, the Nation State Law gives the Jewish identity of the state a "constitutional jacket", but not at the expense of the rights of other population groups.
Another point of discussion is Article 7 of the Nation State Act. This states that the state should promote Jewish housing in the country. This argument was made by the municipality of Karmiel, where residents complained that there was no Arabic-language school, nor transportation to an Arabic-language school nearby. The congregation argued that this was a conscious and justifiable choice to preserve the Jewish character of the northern Israeli city. A local judge already agreed with Karmiel, and Arab rights organization Adalah appealed.

Equality principle

According to Adalah, the Nation State Law violates the principle of equality. "We do not write the Basic Laws" responded Judge Uzi Vogelman. “Article 7 deviates from the Declaration of Independence, and I understand the issues you speak of… Given that we do not write the laws, we do our best to ensure that basic principles are followed, equality above all”.

Representatives of Jewish organizations have also criticized the law, and fear that the Basic Law on Human Dignity and Freedoms will be affected by the Nation State Law. The Supreme Court held that the Basic Law on the National State is only one of the Basic Laws, and thus is not hierarchically "above" other Basic Laws, not even above the principle of equality. The Nation State Law was interpreted in court by the Supreme Court as a declarative law, thus primarily of symbolic value, as opposed to an operational law being enforced.

The plaintiffs want the Nation State Act as a whole to be rejected, precisely because it "adds nothing to the legal system, and at the same time gives minorities the message not to belong". They cite the 1948 Declaration of Independence, which is used as a guideline for constitutional issues, such as protecting civil rights from violations by the state. It also enjoys quasi-constitutional status in Israel.

Constitutional character Basic law

Israel does not have a written constitution. Israel does have so-called "Basic Laws" that are used together as an informal constitution. They are laws with a special status, requiring a special procedure to pass or amend. For example, an absolute majority of 61 Knesset members is required to adopt or change them. At the hearing, the Supreme Court stated that "the entirety of all Basic Laws taken together" has constitutional status. This means that a Basic Law does not stand alone, but must be in proportion and balance with the other Basic Laws, a "horizontal balance".

The Court recognizes its limitations. According to chairman Hayut, the legal question was: Is the Nation-State Act indeed so bad that intervention by the Supreme Court is required?
The Supreme Court is very reticent on this matter. No Basic Law has ever been dropped by the Supreme Court, and Knesset Chairman Yariv Levin (Likud) announced in advance any decision to consider and ignore that under the Nation State Law. This establishes that a majority of 61 Knesset members can pass a law that is above effective judicial control.

Judiciary politically polarizing

Judicial status and independence have been the subject of debate in Israel for many years and election rounds, including in the upcoming elections in March. Among the potential premiership candidates, Benjamin Netanyahu (Likud), Naftali Bennett (Yamina), and Gideon Sa'ar (New Hope) are proponents of curtailing the power of the Supreme Court, while Yair Lapid (Yesh Atid) has spoken out correctly for a strong, independent judiciary. A majority of the Knesset will likely be in favor of any action against the Supreme Court, especially when it comes to Nation State Law.

Many of the complaints handled by the Supreme Court on Tuesday date back to the passing of the law in 2018. Previously, it was postponed due to "political instability." With politics on the cusp of restricting the rights of the Court, the Supreme Court has been very cautious about this hot topic before then